vrijdag 28 december 2007

Verjaardag van een vader

Jaren geleden, toen de winters nog bar waren en de straten gevuld met sneeuw, ging een vader met zijn kleine zoon sleeën. De vader trok de slee, over heuvels en door dalen, steeds verder, naar een bestemming die alleen hij kende. Het kostte hem moeite, want de zoon werd steeds zwaarder, maar de vader zette door, terwijl de kleine jongen lachte en kirde. Enige tijd later zweeg de zoon, maar zijn vader bleef doorgaan. Uiteindelijk bereikten ze hun bestemming. Ze stonden naast elkaar, vader en zoon, en keken uit over het dal. Toen zei de vader: “Nu moet je zelf de slee trekken.” De zoon, intussen groot geworden, keek zijn vader niet-begrijpend aan, maar deed het toch.

Jaren later besefte de zoon, die op zijn tocht heel wat moeilijkheden had gekend, dat ze in het niets verzonken bij de moeilijkheden die zijn vader had gekend om hem daar te krijgen waar hij begonnen was. Waarvoor dank, vader. Op jouw gezondheid.

donderdag 22 november 2007

Bedrijfs-DNA

"We doen het uit passie voor de lezer." De man leunt wat achterover in zijn stoel, zijn linkerarm ligt losjes over de leuning van de stoel naast hem. "Dat bepaalt heel ons denken, hier. De passie voor de lezer. Het is de ziel van dit bedrijf, het DNA ervan."
Eén gedachte brandde op mijn lippen: Is dat niet wat iedere krant zegt? Niet helemaal. "Wij geven de lezer niet wat hij wil", gaat de man in de stoel voort. "We geven hem wel wat hij wil wéten, maar op een manier die wij belangrijk vinden." Met andere woorden, in de nieuwskeuze houden we de lezer in gedachten, maar in de vorm en de invalshoeken houden we vast aan de standaard die ons beroep ons voorschrijft. Zeg dus nooit meer dat we kranten maken voor het plebs, onnozele gazetten.

Een nieuw systeem, een nieuwe tijd. En ook al was ieder van ons erg sceptisch in het begin, we lijken ons ermee verzoend te hebben. Zoals een voetbalclub niet steeds even goed blijft draaien met dezelfde trainer, is ook in de journalistiek verandering nodig. It keeps us going, houdt ons enthousiasme gloeiend. Om het met de woorden van een oude voetbaltrainer te zeggen: "Sfeer ies goed". Nu nog schitterende kranten maken.

zaterdag 13 oktober 2007

De glimlach van Goedele

"In Zwitserland is abortus toegestaan tot drie maanden na de zwangerschap..."
Ik herinner me het journaaldebuut van Goedele Wachters, ergens begin september. In elk journaal dat ze sindsdien presenteerde, versprak ze zich een keer of drie. Elke keer loste ze dat op met een glimlach. Faut le faire.

Ik besef wat het is, op die stoel te zitten, in die helverlichte studio, je aandacht gericht op de woorden op de autocue, terwijl je in je oortje de regieaanwijzingen hoort, niet alleen die voor jou, ook voor de regieassistent in de studio. Ik weet wat het is, heb die wirwar van aanwijzingen vorig weekend nog ervaren vanaf de overkant, de regiekamer. Logisch dat Wachters zich naar eigen zeggen "nog niet voor 100% op haar gemak voelt in de presentatiestoel".

In ieder geval, met of zonder versprekingen, Wachters is een verademing voor het journaal. Het is de glimlach die het doet. Zelfrelativering trekt aan.

donderdag 11 oktober 2007

Woorden

All my life I've looked at words as though I were seeing them for the first time. (E.H.)

De ultieme verwondering; een schrijver.

zondag 30 september 2007

Voorbij

Aantrekking afstoting
als polen.
Ik, naderhand, te min.

Roestend,
rottend vlees.
Door haar hand-
gekerfde gedachten…
Lang geleden.

Ik slaag er nog steeds niet in
Haar weer aan te spreken.

maandag 17 september 2007

Jeroen Bernaer, eindredacteur

Dat ene moment waarop je de pen op het papier zet, je handtekening ziet verschijnen en je jezelf aan een droomjob bindt. En eindredacteur zijn bij Het Laatste Nieuws, dat is een droomjob. Vanaf nu, beste lezer, kan ik me aan u voorstellen als rasechte journalist. Geen stagiair meer, geen student, maar eindredacteur. Het voelt verdomd goed.

zondag 16 september 2007

Toen je de bergen zag

I
Je hoeft niet meer te lachen,
lieve schat,
drink je glas leeg.
Je voelt je beter
nu,

Terwijl ik bedenk
je ogen vol blauwe weemoed,
opkijkend in de nacht,
dat we dansten,
jij, sexy,
lichaamsvreugde,
en later,
verrukkelijk wervelend
in koud wintermiddaglicht op het perron.

Eens liet ik je de bergen zien,
Je sloeg je armen om me heen,
hield me
vast als een gevangene,
tot ik zonk
in meren van
door zout verdorde takken.
Het was toen dat je de bergen zag.


II
De maan komt op boven de stad,
terwijl ik dwaal door helverlichte lanen,
het kilbleke licht
van een droom,
maar erbuiten zweeft duisternis.
Ergens slaat een klok vijf uur,
ergens kotst een hond.

Deze stad kent de bergen niet.
Hier rusten doel noch identiteit,
als de man die ’s nachts wakker wordt
en ongemerkt zijn huis verlaat.

Midden in de stilte
en het kille licht
weerklinkt de gedachte aan
gebroken akkoorden uit een elektrische gitaar.
Niet jouw woorden, niet jouw stem.
Ik weet niet waar je gebleven bent.


III
Ik werd wakker op een vreemde plek.
De muziek was er luid,
de ritmes veranderden als de tijden,
als gemoedswisselingen
door de whiskey die ik drink,
dronken boeddha,
wachtend
tot jij terugkeert,

Kleine engel,
met je ogen vol weemoed.
Je had je vleugels verbrand,
tot ik je weer leerde vliegen,
in diepgeel februarilicht.

Het was toen dat je de bergen zag.
En mij vergat.

Drink je glas leeg,
lieve schat.
Je voelt je beter nu.

zaterdag 8 september 2007

De milde geste van Jef

Tussen Jef Geeraerts en mij komt het nooit goed. Niet dat ik hem persoonlijk ken, maar zijn en mijn opvattingen liggen even ver uit elkaar als die van Vlamingen en Walen over de toekomst van België. Wat ons verbindt, verdeelt ons.

Donderdagochtend verslikte ik me in mijn koffie toen mijn oog op het bericht viel. Archief van Jef Geeraerts verhuist naar Antwerpen (DS, 6-9-2007). Onze grote Congoganger heeft de oer-, herwerkte en definitieve versies van zijn werken 'overgedragen' aan het AMVC Letterenhuis in Antwerpen. En dat stemt de grote witte jager erg opgelucht. 'Mijn levenswerk is nu voor altijd thuis in mijn vaderstad Antwerpen,' zegt hij. Op zijn oude dag lijkt de grote avonturier een huismus te zijn geworden, verknocht aan zijn stad. Het lijkt wel een verbeterde versie van Hemingway: de macho die zijn kleine, pietluttige voorliefdes kan toegeven, mét de glimlach.

Ook in de act zelf doet Geeraerts beter dan Hemingway. Nog tijdens je leven je angstvallig bijgehouden materiaal ontsluiten, is iets waar Hemingway nooit in geslaagd is. Papa zou het ook niet gewild hebben. Maar Geeraerts staat daar boven. Hij komt als een goedmenende mecenas eigenhandig de dozen afleveren. Vanuit zijn ooghoeken zoekt hij de fotograaf. Hij glimlacht, overhandigt enkele dozen, en scoort. Het publiek vindt het enig en vooral de heren literatuurwetenschappers denken dat ze het groot lot gewonnen hebben. Een belangrijke auteur - en dat is hij, want alleen de manuscripten van belangrijke auteurs worden bewaard - doet afstand van zijn kladjes, tot meerdere eer en glorie van het literair onderzoek.

Dat Geeraerts voor zijn bereidwillige schenking ook nog eens geld krijgt, is natuurlijk mooi meegenomen voor hem. Al wilde Geeraerts het wel niet te ver drijven. 'Ik ben niet zo'n Reve die ook nog eens elke briefsnipper voor de geschiedenis wenst te bewaren of commercieel te ontsluiten. Dat vind ik niet eerlijk tegenover mijn intiemste vrienden.' Of hoe bescheidenheid de man even goed past als een ringbaardje en een opzichtige bril.

Toch wil ik niet staan roepen met een gezicht als de onschuld zelf. Iédere schrijver wil dat zijn archieven, zijn brieven en gedachtestromen, zijn kladversies, zijn punten en komma's worden bewaard. Iédere schrijver wil in een museum terechtkomen, iedere schrijver wil bemind worden, bestudeerd en herinnerd. Daarvoor schrijf je. Ook ik. Maar tijdens je leven je manuscripten wegschenken voor literair onderzoek en er met een uitgestreken gezicht nog geld voor krijgen ook? Hemingway draait zich om in zijn graf.

donderdag 30 augustus 2007

Descanse en paz, Antonio

Op het scherm licht in het rood een nieuw binnengekomen telex op. Het rood verraadt dat het dringend is. Het bericht bestaat maar uit een zin, maar hij blaast me omver. Antonio Puerta, footballplayer of Sevilla, dies after suffering heart attacks on the pitch on Saturday.

De hele namiddag al waren er verontrustende telexberichten binnengekomen dat Puerta's toestand verslechterd was. Even was de gedachte bij me opgekomen dat hij het niet zou halen, maar ik schudde de gedachte van me af. Nu, met het in het rood oplichtende bericht, zag ik weer de beelden voor mijn ogen.

Puerta lag sinds zaterdagavond in het ziekenhuis. Hij werd in een kunstmatige coma gehouden. Enkele uren ervoor, tijdens de wedstrijd tegen Getafe, hurkte Puerta plots neer en viel bewusteloos op de grond. Zijn ploegmaats reageerden snel en vermeden dat Puerta zijn tong inslikte. Na een halve minuut kwam de speler weer bij bewustzijn en kon nog op eigen kracht het veld verlaten. In de kleedkamer kreeg hij een hartmassage, maar zijn hart stopte nog enkele keren met pompen. Een brancard reed zijn sterk verzwakte lichaam het stadion uit. Puerta was 22. In oktober zou hij vader worden.

Ik schud het hoofd en prevel: Descanse en paz, Antonio. Estoy contigo.

vrijdag 27 juli 2007

Revival

Ik heb geschreven en gedroomd. Ik heb gewerkt als een peerd. Ik heb geluierd en gelezen, ik heb dingen gezien en beleefd die uniek zijn, al was het maar omdat ik ze heb ervaren.

Ik heb vanalles gedaan, maar niet geblogd. Tijd dus om deze blog nieuw leven in te blazen. For blogging's sake. Voor mezelf, omdat ik niet anders kan dan mezelf uitdrukken, mijn verlangens, mijn inzichten, mijn obsessies en bokkige gedachtesprongen, mijn kleinzerigheid en angsten, mijn wilskracht, mijn vreugdes. Maar ook een beetje voor u, beste lezer. Dank u dat u er bent. Zonder u besta ik niet.

zondag 6 mei 2007

Dozen en pijpen

"Ik stuur je een doos." Uw blogger keek vreemd op, zo vreemd dat de man schuin rechts van hem meteen vervolgde: "Een doos is een kader waarin je je stuk in lay-out kan zien." Ik knikte begrijpend.

Een halfuurtje later was het weer van dattem. "Valerie, we kunnen er misschien een kortje van maken voor in de pijp." De opeenvolging van kort en pijp deed mijn hersenen plots een short, of in schoon Vlaams ook wel bermuda, op mijn innerlijk netvlies verschijnen. Dan viel het intellectuele licht naar binnen. Geen eenkolommer, wel een kortje. Voor in de pijp dus.

Twee dagen bezig bij De Standaard en ik begin al te praten als een echte, uhum. Ik heb het gevoel dat ik ingewijd word in een geheim genootschap.

En oh ja, Bart Brinckman is naar het schijnt een keikop. En niet erg communicatief. Maar dat weet u niet van mij.

dinsdag 1 mei 2007

Chanson d'Automne

Vanuit de stilte
klinkt een piano op.
Verzonnen melodieën
als lichtgewicht tegengewicht
voor de regen.

Buiten, in het matte licht van zondagochtend,
buigen twee populieren zich naar elkaar toe,
verstrengeld,
als geliefden onder een straatlamp in de regen.
Il pleut sur Brest,
Il pleut, sans cesse, sur Brest.


Binnen in de stilte
tikt de piano voort,
op het ritme van een verlegen hartslag,
op het ritme van haar ogen,
haar haren, haar glimlach,
haar stem.

Binnen in de stilte
denk ik aan het meisje van hoogzomer.
Ze had ogen als geen ander,
als een blauwe droom,
verzachtend in de nacht,
lippen als de kersentuin
waar ze liep, in haar
jurkje en bruinverbrande benen,
warm onder de vingertoppen.

De kasseien werden gesproeid,
in wijnrood avondlicht,
winkeliers lieten hun rolluiken ratelend neer,
wisten het zweet van hun voorhoofd.

Binnen in het café
was het druk.
We vonden een tafeltje bij het raam.
Ik herinner me,
de rook van haar sigaret kringelde in haar haar.
Ze lachte.
Alsof er nooit een einde aan zou komen.

Buiten, op de natte kasseien van zondagochtend,
rilt een hond en huilt.
De populieren staan er nog.
Hoogzomer is lang voorbij.

zaterdag 28 april 2007

Nacht

Het is koel op de daken van de stad.
Vegen spreiden zich uit over de donkere lucht,
de maan zwijgend erin verzonken.

Vogels fluiten hun laatste, verkilde lied,
terwijl beneden de stad rilt
onder donsdekens,
in naakte eenzaamheid
naast zich
warmte en ruisend bloed zoekt.
Leven buigt zich naar elkaar toe,
heet en kloppend,
baant zich een weg naar nieuwe dromen,
leven in de knop.

Een man zit in een raam,
in het bleke licht
gebogen, als riet.
Uitkijkend over de daken van de stad,
ziet hij de rode glans in bruine haren,
draagt iemands hartslag in zijn lichaam,
proeft wijn op ademende lippen.

Hij sluit de ogen,
droomt zich
een dromenloze slaap.

maandag 9 april 2007

Ontwaken tussen boeken

Dicht bij de Notre-Dame van Parijs, eventjes de brug over naar de Linkeroever, bevindt zich een boekenwinkeltje, Shakespeare & Co. Aan de voorkant onooglijk klein -- je wandelt er voorbij als je niet oplet -- binnen net iets meer beweegruimte biedend dan de gemiddelde dwangbuis. Een hol waar de boeken het voor het zeggen hebben. De bezoekende mens is niet meer dan een accessoire, een noodzakelijk kwaad haast.

In dat hol woont een oude excentrieke Amerikaan, George Whitman. Zelfs hij, als eigenaar, moet plooien voor de boeken. Voor hij zijn kantoor kan betreden, moet hij een boek uit het rek nemen om bij de lichtschakelaar te kunnen.

Whitman heeft zijn Shakespeare & Co opgericht naar de gelijknamige boekenzaak annex bibliotheek van Sylvia Beach. Die zaak was een monument op de linkeroever. Tijdens het interbellum kwam de hele Angelsaksische literaire beau monde in Parijs er over de vloer. James Joyce, Ezra Pound, Ernest Hemingway, Gertrude Stein, Robert McAlmon, D.H. Lawrence... Geen enkele schrijver die iets betekende, of wou betekenen, ontbrak.

De oorspronkelijke winkel in de rue de l'Odeon bestaat niet meer. In het pand is nu een Chinees restaurant gevestigd. Gelukkig was er dus George Whitman om het verhaal van Shakespeare en de zijnen voort te zetten. Naar eigen zeggen is Whitman trouwens familie van Walt, al hecht niet iedereen daar evenveel geloof aan. In ieder geval zit hij al sinds 1951 met het hoofd (en meer) tussen de boeken.

Maar Shakespeare and Company is méér dan een boekenwinkel. Terwijl je in een boek bladert, kan je rustig een kopje thee drinken als je wil. Of je kan er blijven slapen. Tussen de boeken, op de hoogste verdieping. Ontwaken moet er heerlijk zijn, je een gevoel geven als Alice in Wonderland. Opstaan met een boek, en met uitzicht op de Notre-Dame. Er bestaan ergere dingen in de wereld.

Shakespeare & Co
Rue de la Bûcherie 37
Openingstijden: elke dag van 12 tot 24u

zondag 8 april 2007

Liefde voor het licht

Duiven op kasseien, lantaarnpalen en rode of groene luiken en luifels. Hard zonlicht, diepe schaduwen die vervagen aan de randen. Nergens is het ochtendlicht zo fris als in Parijs. Het draagt een belofte in zich, van nieuwe mogelijkheden voor de dag, als de spanning die geliefden voelen voor ze elkaar terugzien.

Het was druk die morgen op het Place du Tertre in Montmartre. Schilders brachten kleur aan. Koppels kusten. Een kunstgalerij bood onbetaalbare tekeningen van Dalí en Picasso aan. Mannen discussieerden op een terrasje bij een café au lait. Op een pleintje verderop lazen twee geliefden, tegen elkaar geleund op een bankje in de zon, samen een boek. Om hen heen trok de dag zich op gang. Schaduwen zouden verkleinen, de zon zou vol en warm worden. Maar op dat uur was er enkel die stille tevredenheid te merken in het zonlicht, als de glimlach van een mooie vrouw. Die zondagochtend in Montmartre draag ik in mijn hart, neem ik mee, als de stem van Papa Hemingway.

Ik heb Hemingway niet echt gevonden aan de oevers van de Seine. Het was alsof hij in de muren van de stad was verdwenen, verstopt, als in de plooien van een laken. Ik leek zijn aanwezigheid niet te kunnen oproepen. Niet in de lanen, niet in de cafés en bars, niet in de Pernods die hij dronk of de worst met mosterd en aardappelsla die hij at. Wellicht vond ik hem zo moeilijk doordat ik noodgedwongen zíjn Linkeroever letterlijk bijna volledig links heb laten liggen. Maar de Left Bank komt nog. Ik bewaar hem voor de volgende keer.

Alleen in de steegjes van Montmartre en onder de art-nouveaubogen van de Eiffeltoren heb ik Papa's hand op mijn schouder gevoeld. Zijn liefde voor de stad sijpelde in me, vulde de leegheid die ik de dag voordien even had gevoeld. En dat op plaatsen die maar een voetnoot vormen in Hemingways geschriften.

Maar in ieder geval werd ik verliefd, op het licht, de kasseien, de huizen en luiken, de neorenaissancegebouwen, de Arcs, het staal van Eiffel, de bruggen van de Seine, de steegjes en lanen. Ook al blijft Sevilla de liefde van mijn leven, in Parijs heb ik een stukje van mezelf achtergelaten. Wat Ze ermee doet, is niet zo belangrijk. Plots begreep ik Michael Palin en Hemingway, deelde hun bewondering, mannen onder elkaar. Terwijl ik me klaarmaakte voor vertrek, dacht ik aan wat Palin ooit schreef:
As we prepare to leave Paris I have the same feelings I always have when I leave Paris. I have been happy here and I'm full of admiration for this well-run city and the way it respects and displays it heritage of antiquity, elegance and culture. But Paris is impossible to thank. It will not soften and allow itself to be hugged around the shoulder as you say goodbye.

Terwijl ik de straat oversteek, zie ik een wat oudere Hemingway, zittend aan een tafeltje bij een raam, potlood in de hand, gebogen over het papier:

Paris was a fine place to be quite young in and it is a necessary part of a man's education... But she is like a mistress who does not grow old and she has other lovers now.

In het zacht verglijdende licht van de avond kom ik bij het Gare du Nord. Bij de deur draai ik me nog even om en denk: "A la prochaine, Paris, à la prochaine."

vrijdag 30 maart 2007

Naar Parijs

Ernest Hemingway was 22 toen hij naar Parijs verhuisde. Jaren later schreef hij:
"If you are lucky enough to have lived in Paris as a young man, then wherever you go for the rest of your life, it stays with you, for Paris is a moveable feast."

Ik ben 22 en vertrek morgen naar Parijs. Niet om er te gaan wonen, gewoon om de toerist uit te hangen. Ik hoop er iets van Hemingways droevige geest terug te vinden, zijn romantische ziel, zijn melancholie. Hij was een eerder verlegen man toen hij in Parijs aankwam, iemand die eerder luisterde dan zelf te spreken. Net als ik. Morgen drink ik een glas op jouw gezondheid, Papa.

dinsdag 20 maart 2007

Als het leven zelf

Ik merk dat de laatste tijd sport deze blog binnensijpelt. Dat is niet de bedoeling. Maar is sport ook geen deel van het leven? Sport is emotie, en wat maakt een mensenleven tot een mensenleven? Precies: emoties.

Euforie en tranen, gebalde vuisten en hangende kopjes, geschreeuw en stilte. Topsporters balanceren voortdurend op de grens. Een middenweg bestaat niet, want buikgevoel valt op het sportveld niet te kanaliseren. Onversneden emotie, rauw en puur. Als het leven zelf.

maandag 19 maart 2007

Gelezen

Verrassend interview met Filip Joos en zijn zus Ruth in Humo twee weken geleden. Zo openhartig als die twee zou ik nooit zijn in mijn antwoorden. In een blog of verhaal kan je als schrijver jezelf ook blootgeven, maar daar blijf je altijd baas. Jij beslist wat je brengt en vooral, hoe. Als het nodig is, kan je jezelf verstoppen achter de fictie die je schrijft.

Maar goed: het interview. Broerlief legt op de begeleidende foto beschermend zijn arm rond zus. Mooi, een vertederend beeld. Maar dan volgt de uitspraak: "Zo dicht zitten wij nooit bij elkaar." Geen knuffelaars, de Joosen. Maar wel schuchter, althans Filip:

Ik zou A.F.Th. Vander Heijden nooit durven interviewen. Ik durf die man zelfs geen handtekening te vragen, op Het Andere Boek heb ik mijn toenmalige vriendin daarvoor uitgestuurd.
Best een verlegen man, die Filip Joos. Hij kan zelfs de aanblik van zijn eigen gezicht op tv niet verdragen. Als hij in beeld komt, dekt hij zichzelf af met zijn handen: "Mijn stem heb ik ondertussen leren verdragen, maar mijn gezicht..."

Toch is hij zelfverzekerd, en dat mag ook, gezien zijn talent. Over zijn overvloedig knikken tijdens zijn interviews zegt hij het volgende:

Als je erop begint te letten, lijkt het soms grotesk, maar ik zal er niet mee ophouden, gewoon omdat ik ervan overtuigd ben dat mijn gesprekken dan ook minder goed worden. Dat ik er een beetje onnozel uitzie neem ik er probleemloos bij.

En dan komt het kind in Joos naar boven. Hij vindt het enorm jammer dat de VRT de uitzendrechten van de Champions League is kwijtgespeeld: "Ik heb gehuild, zelfs."

Het lijkt er zelfs op dat de sportjournalist heimwee heeft naar zijn verloren kindertijd. De melancholische blik op het verleden:

Als ik de Fixkes hoor zingen over hoe ze als kind gingen shotten tot het donker werd, in een kort sponzen broekje: dat ben ik, hé? En die tijd komt nooit meer terug. Ik ben echt bang voor de dag dat ik niet meer zal kunnen voetballen.


Oh ja, over melancholie gesproken. In de Canvasuitzending "Dag Boek" van november vorig jaar vertelde Joos over zijn eerste volwassen leesliefde: De Bekentenissen van Barney, van de Joods-Canadese schrijver Mordecai Richler. Filip werd toen zowaar poëtisch:

De humor is bijtend, slim, rebels en alomtegenwoordig, maar wat dit boek echt groots maakt, is de melancholie. Zelden mooier beschreven dan hier. Het lijkt contradictorisch, maar sla de laatste bladzijde om, en hij zit voor heel lange tijd onder uw huid. En in uw hart. Gegarandeerd.

De lente komt eraan. Misschien een idee, voor op het terras, in de zon. Het leven kan mooi zijn, met of zonder melancholie.

zondag 18 maart 2007

Zondagochtend

Wat past er beter bij een druilerige zondagmorgen dan Jeff Buckley? Tijd om de man te herontdekken, leek me. Dus heb ik 'm maar opgelegd. De cd, niet de man zelf.

Joepie, een grapje, van Crappo the Clown. Kent u 'm, Crappo?

You always made me feel like I've won first prize, and don't you deserve better than this clown? This Crappo the Clown or whatever he calls himself.
Ik betwijfel of het goedkomt tussen ons. En of het, als het inderdaad zou foutlopen, niet mijn schuld zou zijn. Misschien doe ik te hard mijn best. Eén enkel stom gebaar van een derde, wellicht niet eens slecht bedoeld, en uw blogger slaat aan het dubben.

Het laatste wat ik nu wil, is twijfelen aan mezelf. Niet aan mijn liefde, die is echt, daar ben ik zeker van. Ik kijk uit het raam, zie de regen tegen de ruiten kletteren. Jeff Buckley begint aan zijn Last Goodbye:

This is our last goodbye, I hate to feel the love between us die. [...] Just hear this, and then I'll go: You gave me more to live for, more than you'll ever know.
Ik wil cynisch zijn, niet te veel hoop koesteren, maar mijn cynisme faalt. Hoop is slecht, ze doet (zogezegd) leven. Maar van de top van Mount Hope kan je diep vallen.

This is our last embrace, must I dream and always see your face? Why can't we overcome this wall?

Bij het minste woord aan haar denken, haar gezicht zien: ik ken het. Door het leven stappen met haar naam op je tong: ik ken het. En misschien beeld ik me in dat er een muur staat tussen haar en mij, terwijl die er helemaal niet is. Misschien maak ik het allemaal erger dan het werkelijk is.

En nu zwijg ik. Voor ik het nog erger maak. Op dit eigenste moment verschijnt buiten de zon.

Halfvier

Gedachte om halfvier 's nachts:

Ik dacht dat ik me slechts hoefde om te draaien om aan alles een einde
te maken.

(Albert Camus)

Ernest Hemingway had duidelijk een andere visie. Bij hem werd het zoiets als:

Het was genoeg het hoofd te laten zakken tot je huid en koud metaal elkaar raakten. Het was genoeg de vinger lichtjes te krommen en de ogen te sluiten. Genoeg om aan alles een einde te maken.

Of hoe de nacht existentiële twijfel bij me oproept. Als ik misluk in de liefde, word ik oorlogsjournalist.

donderdag 15 maart 2007

Vreugdekreten

Dit gebeurde gisteravond. Koude rillingen, vreugdekreten, vuisten in de lucht, een aanstekelijke glimlach. Een ontketende, heerlijk poëtische Filip Joos maakte het feest compleet:

"Dit is champagnevoetbal [...] Het beste Anderlecht van dit seizoen."

Of helemaal op het einde:

"Anderlecht verpulvert Genk."

Ja, ik geef het toe. Ik ben een stille genieter. Ik hou van voetbal, ik hou van RSC Anderlecht. De magie die mijn club in mijn kindertijd uitstraalde is verdwenen. De nerveuze spanning die ik als klein ventje voelde van zodra ik in de buurt van het stadion kwam, is in de plooien van mijn vroege jeugd blijven zitten. Maar dat diepe gevoel van de supporter zit voor altijd in mij. Vergeeft u me, ik kan niet anders.


De schoonheid van een splijtende pass met buitenkant voet, een hakje, een afgemeten voorzet, een sublieme passeerbeweging. Gisteren was het er allemaal. Voetbal werd Kunst. Geen mens die nu de glimlach van mijn lippen krijgt.

Insjallah

Herinnert u zich de eenzaamheid waar ik u een tijd geleden over sprak? Wel, die is verdwenen. Voorlopig. Niet dat haar antwoord me volledig heeft gerustgesteld, verre van, maar het verlangen is duidelijk uitgesproken.

Vreemd toch hoe persoonlijke geschiedenis zich herhaalt. Ik zit in een situatie die ik nog al heb meegemaakt, niet eens zo lang geleden. Toen is ze dramatisch afgelopen. Ik heb me eruit moeten losscheuren. Maar ik heb er wel een stuk van mezelf in achtergelaten, een zeker gemis, dat wel gesleten is, maar heel af en toe weer opspeelt.

Hopelijk eindigt het verhaal dit keer wel mooi. Andere vrouw, ander karakter, gelukkig maar. Misschien raak ik onder de beknellende laatste zin van The Great Gatsby uit: "And so we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past."

Ik wil alles doen om wat tussen haar en mij is gegroeid, te laten slagen, om van de "jij en ik" een "wij" te maken. Insjallah.

woensdag 7 maart 2007

Brel

Daarnet op de radio: het heerlijke Ne Me Quitte Pas van Jacques Brel. Pure melancholie. Zo puur, zo eenvoudig dat ik dit met u móet delen.

Ne me quitte pas
Il faut oublier
Tout peut s'oublier
Qui s'enfuit déjà
Oublier le temps
Des malentendus
Et le temps perdu
A savoir comment
Oublier ces heures
Qui tuaient parfois
A coups de pourquoi
Le cœur du bonheur
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas

Moi je t'offrirai
Des perles de pluie
Venues de pays
Où il ne pleut pas
Je creuserai la terre
Jusqu'après ma mort
Pour couvrir ton corps
D'or et de lumière
Je ferai un domaine
Où l'amour sera roi
Où l'amour sera loi
Où tu seras reine
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas

Ne me quitte pas
Je t'inventerai
Des mots insensés
Que tu comprendras
Je te parlerai
De ces amants-là
Qui ont vu deux fois
Leurs cœurs s'embraser
Je te raconterai
L'histoire de ce roi
Mort de n'avoir pas
Pu te rencontrer
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas

On a vu souvent
Rejaillir le feu
D'un ancien volcan
Qu'on croyait trop vieux
Il est paraît-il
Des terres brûlées
Donnant plus de blé
Qu'un meilleur avril
Et quand vient le soir
Pour qu'un ciel flamboie
Le rouge et le noir
Ne s'épousent-ils pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas

Ne me quitte pas
Je ne vais plus pleurer
Je ne vais plus parler
Je me cacherai là
A te regarder
Danser et sourire
Et à t'écouter
Chanter et puis rire
Laisse-moi devenir
L'ombre de ton ombre
L'ombre de ta main
L'ombre de ton chien
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas.


Om stil van te worden.

zaterdag 3 maart 2007

Verlangen

's Avonds, soms zelfs overdag, speel ik een rolletje. Zoals een kameleon van kleur verandert om zich onherkenbaar te maken, verstop ik mezelf achter maskers. Ik hang de vrolijke frans uit, de clown, de energieke, de onbezorgde. Ik maak mezelf tot karikatuur.

Soms val ik uit mijn rol en reageer geprikkeld of verveeld. Soms zwijg ik. Niemand die het doorheeft. Alleen ik weet wat er aan de hand is, wat er diep achter mijn kleurige maskers verscholen zit. Het geeft je het gevoel alleen te staan, maar ook een zweem van opluchting: je vermijdt je zorgen tussen jou en de ander te plaatsen, als een muur, waarlangs het moeilijk praten is.

Ober, laat dus nog wat drank aanrukken, geef ons nog wat vrolijkheid! Maar tegelijk denk ik aan haar. Ik zie haar voor me, hoe ze is, hoe ik haar ken. Ik zie haar in de vermoeide glimlach van mijn neefje, in zijn blozende wangen, ja, zelfs in zijn warrige haren die boven het dekbed uitsteken. Ik dek hem verder toe en denk aan haar. Ik wil haar.

dinsdag 27 februari 2007

0.30 am

Ik wil slapen. Slapen doet deugd als je het verdriet als een bal in de maag voelt zitten. Maar ik ben een nachtmens, dus wordt dat zalige moment van loslaten mij ontnomen door mezelf. Door mijn eigen stomme lichaam.

Slapen. De vergetelheid in glijden, er vertoeven, heel even, liefst enkele uren lang. Tot je wakker wordt en de hele zwik weer hard in je bewustzijn valt.

Maar de avonden, niet de ochtenden, zijn het ergst. Als de duisternis valt, ben je alleen met je gedachten. "It is awfully easy to be hard-boiled about everything during the daytime, but at night it is another thing." Ik weet het, ik ben hier weer met m'n Hemingway. Maar het is een zin die o zo raak is. Het is een zin die, als je hem leest, heel even de Waarheid vormt, de Waarheid en niets dan de Waarheid.

Ik ben moe, wil slapen. Ik wil dat de nacht me omarmt.

donderdag 22 februari 2007

Nada

Mijn pantser breekt. Ik had gedacht de eenzaamheid te kunnen afwenden, dacht zelfs dat ik helemaal niet eenzaam was. Een tijdlang ben ik er ook in geslaagd gelukkig te zijn met mezelf. Want misschien is eenzaamheid net dat: je verlaten voelen door je eigen ik, alsof je plots niet blijkt te zijn wie je dacht. Je bent niet genoeg voor jezelf.

Alleszins was ik een tijd niet langer eenzaam. Maar ik ben plots bang het opnieuw te worden.

Eén moment van luciditeit, zo helder dat het me met verstomming sloeg. Eén moment, maar dan wel een dat twee uur duurde. Daarnet heb ik The Remains of the Day gezien, de film naar het boek. Zoals een vriend een tijd geleden opmerkte, zei een wereldberoemde filosoof-zielenknijper dat je vaak van een boek of film houdt omdat je jezelf erin herkent. Nu heb ik dat al vrij vaak meegemaakt, en dat was lang niet altijd prettig, maar zelden heeft een boek of film me tot een beslissing gebracht. Ik weet dat ik ze móet nemen, kan ze niet langer voor me uit schuiven, zoals de toekomst zichzelf voor ons uit schuift. Tot er geen toekomst meer is, alleen einde, en dan niets meer. En dat niets, míjn niets, is eenzaamheid. Hemingways nada. Ik wil een licht voor de nacht, dat me zegt dat ik juist zit.

Vaak weet een mens pas wat hij heeft, als hij het dreigt te verliezen.

maandag 19 februari 2007

Het Vrolijke Bestaan

Tijd voor nog wat literatuur. Daarom een fragment uit een van mijn verhalen, "Het Vrolijke Bestaan" (DWB, februari 2006):

VII

Het lijkt wel of ik dood ben en in een andere, geruisloze wereld ben terechtgekomen. Het zou me niet kunnen schelen als ik effectief al dood zou blijken te zijn. De sneeuw, de kale, dorre boomstammen en de loodkleurige hemel komen me kil en onbekend over. Is dit het dorp waarin ik ben opgegroeid?

Zolang er sneeuw ligt, wordt het nooit donker. De gedachte verrast me. Precies wat ik vroeger dacht. Nog niet zo lang geleden – wat is een jaar in een mensenleven? – moest ik nog maar een sneeuwlandschap zien of ik werd al bevangen door een haast kinderlijke gelukzaligheid, zij het ingetogener, vrediger, zonder de drang om meteen naar buiten te hollen en een sneeuwpop te maken. Nu wil ik niets meer, behalve het leven, voor de luttele tijd die me nog gegund is, met opengesperde ogen aanstaren, en terugdenken.

Langzaam daal ik de heuvel af. De daken op de heuvel tegenover me zijn witbesneeuwd, de bomen nevelig zwart. Had ik de seconde waarop ik haar naam zei en ze zich omdraaide naar me, die ene seconde waarop ze me zacht aankeek, voor ze mijn toekomst vermoordde, maar kunnen vasthouden. Had ik mijn leven maar kunnen stopzetten op die ene seconde, terwijl alles rond mij en haar zijn gewone dagelijkse ritme bleef tikken. De wonde aan mijn hand klopt in alle hevigheid. Ik kan het bloed bijna voelen stromen.

Haar lange, roodbruine haren; haar heerlijke, hevig blauwe ogen, als de Zuid-Franse hemel; de lichte blos op haar wangen; haar mooie mond; die heerlijke glimlach van haar. Kon ik haar vatten in de mooiste poëzie, ik deed het. Maar ik kan het niet. Ze is te prachtig om in woorden te vatten. Mijn pogingen zouden ondergesneeuwd raken als lijken, kil en koud zijn en niets van haar schoonheid in zich dragen. Hoe had ik haar schoonheid ooit kunnen neerschrijven zonder er afbreuk aan te doen? Ze is niet te vatten in poëzie, ze ís poëzie.

Plots heb ik zin om op de grond te gaan liggen. Ik weet niet waarom. Het heeft geen zin haar naam te fluisteren in de koude, ochtendlijke stilte, middenin dit haast vredige sneeuwlandschap. Het heeft geen zin.

Een man schreeuwt: “Vuur!” Ik hoor de schoten. Mijn laatste moment is voorbij.

zaterdag 10 februari 2007

Samen sterk

Toen ik donderdagavond thuiskwam, vond ik een pakket bij mijn post. Op zich niet zo verwonderlijk, natuurlijk, ware het niet dat de afzender wellicht eerder geneigd is een postpakket op te sturen naar mijn huisgenoten dan naar uw nederige blogger. Binnenin vond ik kopies van artikels. Een begeleidend briefje maakte de inhoud ervan meteen duidelijk:
Hallo Jeroen,
Zoals beloofd in mijn laatste e-mail stuur ik u de (oude)
krantenartikels i.v.m. de Spaanse burgeroorlog op.

De formele toon van het briefje verraste me wat, moet ik zeggen. De afzender en ik kennen elkaar al bijna een decennium. Lang genoeg dus om de beleefdheidsvorm achterwege te laten. Ook wist ik niet over welke e-mail hij het had. Een e-mail naar mijn vader, bleek later.

In ieder geval, toen ik de tekst op het papiertje gelezen had, kon ik niet anders dan breed glimlachen. Zo'n twee weken geleden, op een moment dat ik met mijn hoofd nog volledig in de sfeer van Salvador zat, had ik een gesprek met een Spaanse vriendin. We praatten wat over het regime van Franco en hoe het de gedachten en levens van de Spanjaarden verwoestte. Plots begon mijn gesprekspartner te vertellen over haar overgrootvader. Hij woonde bij het begin van de Burgeroorlog in Andalusië en trok regelmatig naar de dorpen in de omgeving om er de kinderen te onderrichten. Een eenvoudige onderwijzer dus, die zich niet bepaald bezighield met politiek. En dat in een regio waar de anarchisten en communisten even makkelijk ontsproten als dat er de flamenco werd gedanst.

De geschiedenis van de rondtrekkende leraar trof me zo diep, dat ik besloot een verhaal over hem te schrijven. Toen ik dat plan voorlegde aan mijn Spaanse "bron", reageerde ze eerst verrast. Maar beetje bij beetje sijpelde het enthousiasme in haar. Ze vertelde me meer details over het leven van haar overgrootvader, betrok zelfs haar vader bij mijn plan. Vreemd genoeg was ook hij enthousiast. Al tijdens onze ontmoeting in juli vorig jaar bleek dat hij liever niet aan de Burgeroorlog en het daaropvolgende Francotijdperk herinnerd werd. Veel Spanjaarden klemmen ook nu nog liever de lippen op elkaar als het over die periode gaat. De pijn zit te diep.

Waarom de man toch besloot aan het project mee te werken, is me een raadsel. Misschien ziet hij mijn plan als het geschikte moment om een stukje van de tere waarheid naar buiten te brengen, een kans om buitenlanders te laten zien wat er decennia lang werkelijk gebeurd is achter het gordijn. Misschien wil hij me helpen als eerbetoon voor zijn vader, de zoon van de rondtrekkende onderwijzer. Of voor de hele familie, die zoveel jaren na dato nog altijd geen inzage krijgt in Franco's archieven. Wat ook de beweegredenen van de man zijn, alleen een grote "Muchas gracias" van mij is op zijn plaats.

Vorige week dan stelde zijn dochter voor dat we een gemeenschappelijke, Belgische vriendin zouden inlichten over het project. Die sprak erover met haar vader, met het postpakket tot gevolg.

Of hoe het levensverhaal van één eenvoudige man mensen samenbrengt. Knap.

donderdag 8 februari 2007

Sneeuw en kraaien

Opstaan met een sneeuwlandschap. Buitenkomen en de witte kristallen onder je voeten horen kraken. En toch ligt er in dat vertrouwde geluid, in heel die witte omgeving, iets zwaarmoedigs. De ingetogenheid heeft altijd iets triests. Een landschap van wit en nevelig zwart doet me altijd denken aan één bepaalde scène uit Cold Mountain. Een man strompelt in de verte, onder een prieel van overhangende takken en rots, door de sneeuw. Kraaien schieten krassend langs hem heen. De man zijgt neer. Een jonge vrouw, Ada, schreeuwt zijn naam, snelt op hem toe en buigt zich over hem. Bloed stroomt uit de kogelwonde in haar geliefdes buik.

Als beeld kan dit tellen. Maar het boek is nog een stuk beter dan de film. Neem deze scène:

An observer situated up on the brow of the ridge would have looked down on a still, distant tableau in the winter woods. A creek, remnants of snow. A wooded glade, secluded from the generality of mankind. A pair of lovers. The man reclined with his head in the woman's lap. She, looking down into his eyes, smoothing back the hair from his brow. He, reaching an arm awkwardly around to hold her at the soft part of her hip. Both touching each other with great intimacy. A scene of such quiet and peace that the observer on the ridge could avouch to it later in such a way as might lead those of glad temperaments to imagine some conceivable history where long decades of happy union stretched before the two on the ground.
(Cold Mountain, Charles Frazier, Vintage Books, 1998, p.445)

Vanochtend was het dus weer zover. Ik kon het niet helpen. Dat heerlijke Cold Mountain-gevoel kwam weer over me. Ik was nog maar enkele voetstappen ver of hoog boven me weerklonk het gekras dat ik zo goed kende. Ik denk dat kraaien van sneeuw houden. Alleen als het gesneeuwd heeft hoor je zo vaak hun gekras. Alsof ze hun lach niet kunnen inhouden. Waar alle andere geluiden door het sneeuwtapijt gedempt worden, klinkt hun roep harder en helderder dan ooit. Kraaien en sneeuw. En de zwarte silhouetten van de bomen. Ik kon een stille glimlach niet onderdrukken.

dinsdag 6 februari 2007

Het "kwakske" van Lisbeth Imbo

"Zet dat maar net boven dat kwakske, daar." Ik draaide me om, mijn gezicht vervuld van verbazing. Lisbeth Imbo, de warmste stem van "De Wandelgangen" op Radio 1, had het over een geluidscurve op de monitor van de montagecomputer. "Ja, ik noem dat een kwakske." Na het liveke nu ook het kwakske. Moet er nog zand zijn? Maar goed, een kwakske, dus. Vreemd.

Ook vreemd: haar te zien schaterlachen tot de tranen haar in de ogen schieten. De godin werd mens, gisteren. En mijn bewondering nog groter.

maandag 5 februari 2007

Goodbye Salva

Zelden heb ik zo verdwaasd rondgelopen in een stad als na het zien van Manuel Huerga's Salvador. De gebouwen die ik al mijn leven lang kende, leken me plots heel vreemd, unheimlich. Alsof dit niet mijn stad was, niet mijn land. Alsof er op dat ogenblik maar één enkel land voor me telde: Spanje. De naam Puig Antich brandde op mijn lippen als een traan in een oog. Hard en zuiver, bitterzoet.

Hij verdiende het niet. Akkoord, een jarenlange celstraf zou op zijn plaats zijn geweest. Tenslotte was hij deels verantwoordelijk voor de dood van een agent. Maar de doodstraf? Nee, dat is een brug te ver. En moest de terechtstelling echt met de wurgpaal gebeuren? Wanneer Salvador in de film de kamer binnenkomt waar het tuig staat opgesteld, zijn de enige woorden die hij kan uitbrengen: "Que horrible." Zijn van angst en afschuw vertrokken gezicht was heel even het mijne.

Hij wou leven, toen. Niet meer leven om vrij te zijn, zoals maanden, jaren tevoren. Enkel leven. Het was hem niet gegund. Zelfs een oproep van de paus hielp niet. Dictator Franco bleef bij zijn besluit.

Antich wou leven, geen icoon worden voor de duizenden levens die Franco's regime verwoestte. Maar hij werd het toch. Zijn verhaal bracht iets in beweging, gaf de Spanjaarden de kracht om te roepen dat het zo niet verder kon.

We hebben niks geleerd. Integendeel. Sinds Salvadors dood zijn angst en repressie de wereld steeds meer gaan regeren: Bosnië, Servië, Israël en Palestina, Irak, de aanslagen van 11 september, 11 maart, 7 juli. Bush en Bin Laden: de wereld in extremen. Pinochet, Milosevic, Saddam Hoessein en zovele anderen. I si canto trist is het enige wat ik hierop kan zeggen.

Wat Salvador me opnieuw duidelijk heeft gemaakt, is waarom ik schrijver en journalist wil worden. Onrecht. Verdrukking. Ik wil dat de wereld het weet. Ik wil schrijven, schrijven alsof mijn ziel via mijn vingers en pen naar buiten geperst wordt. Ik ben geen man van idealen. Als ik al een ideaal heb, is het menselijkheid. Maar ik wil ervoor vechten. Een beetje menselijkheid, een beetje begrip in heel deze klotezooi. Meer vraag ik niet.

Salvador. Hij wilde vrij zijn, in een land waar dat niet mocht. Vrij om lief te hebben, te vrijen, weg te dromen, Catalaans te spreken, bekommerd te zijn om medemensen. Antich is erin geslaagd anderen vrij te maken, niet in het minst zijn zusje Merçona. Misschien was het genoeg om hen, zoals in de film, de ogen te doen sluiten en te doen denken aan een plek, zonder tralies, zonder glas om hen tegen te houden. Simpelweg de ogen sluiten en wegvliegen, ver van angst en verdrukking. Bye bye, darling. Goodbye.


woensdag 31 januari 2007

Monument voor "Papa" (bis)

(Deel 2)


Hemingway was een romanticus, net zoals ik er een ben. Een romanticus, maar geen dromer, geen dweper. Waarom kleven domme mensen dat label ook altijd, als was het een bloedzuiger, op het woord “romanticus”? Antwoord: omdat domme mensen nu eenmaal labels nodig hebben.

Ach wat, daar had ik het niet over, wel over Hemingway, die dus een onverbeterlijke romanticus was. Jef Geeraerts heeft er niets van begrepen als hij blij is dat hij godbetert eens een jachtgeweer van de man heeft mogen vasthouden. Wat geef ik om jagen? Mij interesseert de mens, niet de mythe. Mij boeien de boeken die Hemingway las, de muziek waar hij naar luisterde, de schilderijen die hem raakten, de drankjes die hij even over de smaakpapillen liet glijden en vervolgens doorslikte, de streken en steden die hij bewonderde, de atmosfeer ervan die hem trof, ja, zelfs wat hem aantrok in een vrouw – al heb ik, vooral wat dat laatste betreft, heel andere smaken. Geeraerts daarentegen is er nog nooit ook maar één seconde in geslaagd door de gespierde bast heen te kijken. Ik begrijp “Papa”, of dat geloof ik toch graag.

Wat er ook van zij, ik heb respect voor Hemingway, als schrijver én als mens. Ik word tenminste niet verblind door de schoonheid van zijn jachtgeweren, maar tracht te begrijpen hoe hij de man is kunnen worden die iedereen in hem ziet: de macho, de vrouwenversierder, de jager, de held. Hoe traumatisch moet het wel niet zijn om tot je vierde door je moeder in meisjeskleren gestopt te worden? Wat doet het met een mens als ze je dan ook nog eens behandelt als was je het tweelingzusje van je één jaar oudere zus Marcelline? Geen wonder dat hij zich als ukje net voor Kerstmis vertwijfeld afvroeg “of de kerstman wel zou weten dat hij een jongen was?”

Begrijp me niet verkeerd, ik keur zijn haantjesgedrag resoluut af. Hij had er beter aan gedaan zijn verleden niet te willen verbergen met het schild van het machismo, maar het gebeurde te aanvaarden. Het zou hem minstens evenveel respect hebben opgeleverd, zij het wat minder overdonderende verkoopcijfers.

Volgens velen heeft hij het woord “macho” een nieuwe betekenis gegeven, terwijl hij dat eigenlijk met het woord “weemoed” heeft gedaan. Dat is immers de echte Hemingway, een man van weemoed, angsten, slapeloosheid. Hemingway de romanticus, die droomde van een idyllische liefde en haar ook ooit vond, maar haar kwijtraakte – zonder dat het evenwel zijn schuld was – en vervolgens verstrikt raakte in de zoektocht en de vrouwen. Hemingway de depressieve, die op het einde van zijn leven steeds meer geplaagd werd door aanvallen van paranoia. Hemingway de kleinzielige. Maar zijn we niet allemaal wel eens kleinzielig? Hemingway de getormenteerde. Hemingway de zachtmoedige, de Hemingway van Jake Barnes en Frederic Henry. Hemingway, die samen met zijn vrouw, op de avond voor zijn zelfmoord, een liedje zong en daarna besloot met: “Goodnight, my kitten.” Dát is Ernest Hemingway. De rest is van geen tel.

Monument voor “Papa”

(Deel 1)

Ernest Hemingway en ik. Een flauwe glimlach speelt om mijn lippen als ik bedenk hoe het allemaal jaren geleden begon. Toen ik als jonge tiener de jeugdliteratuur ontgroeid bleek en klaar was om een veroveringstocht doorheen de volwassenenliteratuur op te zetten, bleek die verovering toch iets moeilijker te gaan dan ik wel had gedacht. Begin maar eens aan die ellenlange rijen vol dikke, logge ruggen in de bibliotheek. Op goed geluk begon ik dan maar te zoeken, belandde per toeval zelfs even in het rek “Grote Letters”. De boeken die ik naar huis meenam, waren meestal best aardig, maar mijn rusteloze aard had toch iets anders nodig, iets… tja, iets waarvan ik kon genieten zonder aarzelen, onvoorwaardelijk. Ik herinner me de dag dat mijn vader me meetroonde naar het rek met de letter H. Hij keek me aan en zei: “Dit zal je zeker interesseren. Hemingway. Ik denk dat je best begint met zijn kortverhalen. Eens kijken.” Mijn vader haalde een boekje tevoorschijn en stopte het me in de handen. “Mannen Zonder Vrouwen”, een titel even simpel als subliem. Het gevoel in mijn vingertoppen zei me dat ik op het punt stond een heel nieuwe, onvermoede wereld te ontdekken, een nieuw continent, fris en onontgonnen.

Ik ben mijn vader altijd dankbaar gebleven voor dat ene moment. Tot de dag waarop ik sterf, zal ik met liefde terugdenken aan dat moment: mijn vader naast me, het boek in mijn handen, de hoopvolle spanning die zich ergens tussen middenrif en hoofd nestelde. ‘s Avonds, in het licht van het lampje naast mijn bed, las ik over een oude matador, Manuel, die uitgejouwd wordt door de toeschouwers. Die gooien kussens en flessen de arena in, maar ondanks alle tegenkanting zet Manuel door, ook al gutst het bloed intussen uit zijn lichaam. Uiteindelijk slaagt hij erin de stier te doden en wordt afgevoerd naar de infirmería. Ik genoot, hoewel ik toen nog geen idee had van wat er allemaal achter het verhaal schuilgaat. Ik was getroffen door de onrechtvaardige reactie van het publiek, voelde me, vreemd genoeg, verbonden met de oude stierenvechter. Het bewijst “Papa’s” talent dat hij er zo vaak in slaagde de lezer mee te sleuren, het nodige gevoel heel subtiel in hem wakker te maken, een natuurlijk aanvoelen, een begrijpen zonder echt te begrijpen, een begrijpen dat dieper ligt dan datgene wat we met ons verstand kunnen vatten.

Madrid, 1936

Ik lig
in een kamer in een stad
ver weg
lig ik op bed,
terwijl de stad
draait en spint
achter gesloten oogleden,
tot in het trommelvlies,
waar ze zich vastzet.

Het raam, geopend,
heeft een blauwe glans.
Niemand die het ziet.
De gordijnen dansen zacht
en stil, op dit uur.
Het uur van waarheid,
als was het dat en
niets meer.

Het ruisen van de stad
houdt op,
elke werveling valt stil,
langzaam,
als het geluid van een druppel die valt,
als een klok die in de verte luidt.

In een kamer in een stad
ligt een man op bed.Wat rest is stilte.