Zo. Leterme I is niet meer. En dus zit dit arme land alweer zonder regering. Maar vergis u niet, leven in een land zonder regering is fun, bijna evenveel fun als leven in een land zonder flitspalen.
Heeft Leterme fouten gemaakt? Zeer zeker. Als hij in oktober bijvoorbeeld als een flinke grote broer Bart De Wever ter verantwoording had geroepen en, omdat De Wever niet inbond, uiteindelijk het kartel met de N-VA had opgeblazen, zou dat al heel wat goodwill gecreëerd hebben bij zijn vrienden Elio en Joëlle. Nu bleef hij zitten met dat jengelende kind aan zijn broekspijp.
Maar het minste wat je van Leterme kan zeggen, is dat hij het geprobeerd heeft. Hij heeft gedaan wat geen enkele 'normale' politicus doet: zich aan zijn verkiezingsbeloftes houden. Hij volhardde, met een hardnekkigheid en vastberadenheid die oneigen zijn aan een Vlaming.
Uiteraard waren zijn pogingen gedoemd om te mislukken. Met Waalse politici valt nu eenmaal niet te praten. Kijk maar naar de heisa die de burgemeesters in de faciliteitengemeentes creëren rond de Gordel. Hun hardnekkigheid is legendarisch, hun air negentiende-eeuws. En dan maar zeggen dat ze het ontslag van Leterme niet begrijpen, dat het voor hen "nochtans altijd mogelijk was om een akkoord te bereiken." Met muren kan je niet praten. Alleen gekken doen dat.
Maar wat de Walen niet lijken te beseffen, is dat ze door hun eeuwige "non", ook in hún vel snijden. Want als de Vlaamse economie niet draait, draait die van onze Waalse vrienden evenmin. Zo simpel kan het leven zijn.
En dus, zolang er geen echte staatshervorming is, zolang we niet als broeders naast elkaar kunnen leven, zonder arrogantie, zonder naijver, zonder te verwachten dat je broeder je een aardig deel van zijn vermogen schenkt, modderen we gewoon maar verder aan, zoals we al sinds 1830 aanmodderen.
Arme ziel die nu nog in rechtvaardigheid in dit land gelooft. Ze mogen het hebben, le plat pays. Ik verhuis. Het juiste tijdstip deel ik u nog mee.
dinsdag 15 juli 2008
maandag 7 juli 2008
And so we beat on...
Zij. Van alle mensen die in die stad rondliepen. Dat ik net haar moest terugzien. Een flits van diepblauw, haar gezicht, haar haren. Ze was nog niets veranderd, met haar smalle lippen en zwarte lange haren die dansten bij elke stap. Ze leek ongelukkig, nog altijd, opnieuw misschien. Ze liep enkele passen achter een lange, eerder magere man, die zich half omdraaide naar haar en met een duidelijk West-Vlaams accent snauwde: 'Waar blijf je nu toch weer, zeg?!'
Mario. Ik wist het zeker. Ze was weer bij hem en hij was dus nog geen haar veranderd.
Ik wilde haar helpen, zoals twee jaar geleden. Ze had me nauwelijks toegelaten tot het schimmenrijk waar ze toen in vertoefde, maar ik koesterde de momenten waarop ze het wel had gedaan. Haar stem die brak, onder de hoge bomen in de stadstuin, de tranen die opwelden in haar donkere reeënogen, mijn armen om haar heen.
Of dat gesprek, begin juli. Ze belde me op, vroeg of we konden praten. Over hoe ze was weggelopen van een feestje en op haar kot een stoel had gebroken, uit razernij, uit wanhoop. Ze besefte wat ze gedaan hadden, die vrienden van haar, toen hij plots, onaangekondigd, opdook. Diep vanbinnen besefte ze het. Maar ze aanvaardde het niet, aanvaardde niet dat ik, met de rust en het overzicht die afstand je biedt, haar wees op wat ze diep vanbinnen moét geweten hebben.
Toen we het gesprek afsloten, was niets opgelost. Als zij gelukkig was, was ik ook gelukkig, had ik haar enkele dagen tevoren nog gezegd. Ik at nauwelijks, sliep nauwelijks. Niet dat het ook maar enige zin had.
Die opeengeperste lippen, haar verlaten blik, terwijl ze die kerel volgde. Ik wilde haar helpen, zaterdagavond. Ik kon niet.
Mario. Ik wist het zeker. Ze was weer bij hem en hij was dus nog geen haar veranderd.
Ik wilde haar helpen, zoals twee jaar geleden. Ze had me nauwelijks toegelaten tot het schimmenrijk waar ze toen in vertoefde, maar ik koesterde de momenten waarop ze het wel had gedaan. Haar stem die brak, onder de hoge bomen in de stadstuin, de tranen die opwelden in haar donkere reeënogen, mijn armen om haar heen.
Of dat gesprek, begin juli. Ze belde me op, vroeg of we konden praten. Over hoe ze was weggelopen van een feestje en op haar kot een stoel had gebroken, uit razernij, uit wanhoop. Ze besefte wat ze gedaan hadden, die vrienden van haar, toen hij plots, onaangekondigd, opdook. Diep vanbinnen besefte ze het. Maar ze aanvaardde het niet, aanvaardde niet dat ik, met de rust en het overzicht die afstand je biedt, haar wees op wat ze diep vanbinnen moét geweten hebben.
Toen we het gesprek afsloten, was niets opgelost. Als zij gelukkig was, was ik ook gelukkig, had ik haar enkele dagen tevoren nog gezegd. Ik at nauwelijks, sliep nauwelijks. Niet dat het ook maar enige zin had.
Die opeengeperste lippen, haar verlaten blik, terwijl ze die kerel volgde. Ik wilde haar helpen, zaterdagavond. Ik kon niet.
Abonneren op:
Posts (Atom)