I
Je hoeft niet meer te lachen,
lieve schat,
drink je glas leeg.
Je voelt je beter
nu,
Terwijl ik bedenk
je ogen vol blauwe weemoed,
opkijkend in de nacht,
dat we dansten,
jij, sexy,
lichaamsvreugde,
en later,
verrukkelijk wervelend
in koud wintermiddaglicht op het perron.
Eens liet ik je de bergen zien,
Je sloeg je armen om me heen,
hield me
vast als een gevangene,
tot ik zonk
in meren van
door zout verdorde takken.
Het was toen dat je de bergen zag.
II
De maan komt op boven de stad,
terwijl ik dwaal door helverlichte lanen,
het kilbleke licht
van een droom,
maar erbuiten zweeft duisternis.
Ergens slaat een klok vijf uur,
ergens kotst een hond.
Deze stad kent de bergen niet.
Hier rusten doel noch identiteit,
als de man die ’s nachts wakker wordt
en ongemerkt zijn huis verlaat.
Midden in de stilte
en het kille licht
weerklinkt de gedachte aan
gebroken akkoorden uit een elektrische gitaar.
Niet jouw woorden, niet jouw stem.
Ik weet niet waar je gebleven bent.
III
Ik werd wakker op een vreemde plek.
De muziek was er luid,
de ritmes veranderden als de tijden,
als gemoedswisselingen
door de whiskey die ik drink,
dronken boeddha,
wachtend
tot jij terugkeert,
Kleine engel,
met je ogen vol weemoed.
Je had je vleugels verbrand,
tot ik je weer leerde vliegen,
in diepgeel februarilicht.
Het was toen dat je de bergen zag.
En mij vergat.
Drink je glas leeg,
lieve schat.
Je voelt je beter nu.
zondag 16 september 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten