(Deel 2)
Hemingway was een romanticus, net zoals ik er een ben. Een romanticus, maar geen dromer, geen dweper. Waarom kleven domme mensen dat label ook altijd, als was het een bloedzuiger, op het woord “romanticus”? Antwoord: omdat domme mensen nu eenmaal labels nodig hebben.
Ach wat, daar had ik het niet over, wel over Hemingway, die dus een onverbeterlijke romanticus was. Jef Geeraerts heeft er niets van begrepen als hij blij is dat hij godbetert eens een jachtgeweer van de man heeft mogen vasthouden. Wat geef ik om jagen? Mij interesseert de mens, niet de mythe. Mij boeien de boeken die Hemingway las, de muziek waar hij naar luisterde, de schilderijen die hem raakten, de drankjes die hij even over de smaakpapillen liet glijden en vervolgens doorslikte, de streken en steden die hij bewonderde, de atmosfeer ervan die hem trof, ja, zelfs wat hem aantrok in een vrouw – al heb ik, vooral wat dat laatste betreft, heel andere smaken. Geeraerts daarentegen is er nog nooit ook maar één seconde in geslaagd door de gespierde bast heen te kijken. Ik begrijp “Papa”, of dat geloof ik toch graag.
Wat er ook van zij, ik heb respect voor Hemingway, als schrijver én als mens. Ik word tenminste niet verblind door de schoonheid van zijn jachtgeweren, maar tracht te begrijpen hoe hij de man is kunnen worden die iedereen in hem ziet: de macho, de vrouwenversierder, de jager, de held. Hoe traumatisch moet het wel niet zijn om tot je vierde door je moeder in meisjeskleren gestopt te worden? Wat doet het met een mens als ze je dan ook nog eens behandelt als was je het tweelingzusje van je één jaar oudere zus Marcelline? Geen wonder dat hij zich als ukje net voor Kerstmis vertwijfeld afvroeg “of de kerstman wel zou weten dat hij een jongen was?”
Begrijp me niet verkeerd, ik keur zijn haantjesgedrag resoluut af. Hij had er beter aan gedaan zijn verleden niet te willen verbergen met het schild van het machismo, maar het gebeurde te aanvaarden. Het zou hem minstens evenveel respect hebben opgeleverd, zij het wat minder overdonderende verkoopcijfers.
Volgens velen heeft hij het woord “macho” een nieuwe betekenis gegeven, terwijl hij dat eigenlijk met het woord “weemoed” heeft gedaan. Dat is immers de echte Hemingway, een man van weemoed, angsten, slapeloosheid. Hemingway de romanticus, die droomde van een idyllische liefde en haar ook ooit vond, maar haar kwijtraakte – zonder dat het evenwel zijn schuld was – en vervolgens verstrikt raakte in de zoektocht en de vrouwen. Hemingway de depressieve, die op het einde van zijn leven steeds meer geplaagd werd door aanvallen van paranoia. Hemingway de kleinzielige. Maar zijn we niet allemaal wel eens kleinzielig? Hemingway de getormenteerde. Hemingway de zachtmoedige, de Hemingway van Jake Barnes en Frederic Henry. Hemingway, die samen met zijn vrouw, op de avond voor zijn zelfmoord, een liedje zong en daarna besloot met: “Goodnight, my kitten.” Dát is Ernest Hemingway. De rest is van geen tel.
woensdag 31 januari 2007
Monument voor “Papa”
(Deel 1)
Ernest Hemingway en ik. Een flauwe glimlach speelt om mijn lippen als ik bedenk hoe het allemaal jaren geleden begon. Toen ik als jonge tiener de jeugdliteratuur ontgroeid bleek en klaar was om een veroveringstocht doorheen de volwassenenliteratuur op te zetten, bleek die verovering toch iets moeilijker te gaan dan ik wel had gedacht. Begin maar eens aan die ellenlange rijen vol dikke, logge ruggen in de bibliotheek. Op goed geluk begon ik dan maar te zoeken, belandde per toeval zelfs even in het rek “Grote Letters”. De boeken die ik naar huis meenam, waren meestal best aardig, maar mijn rusteloze aard had toch iets anders nodig, iets… tja, iets waarvan ik kon genieten zonder aarzelen, onvoorwaardelijk. Ik herinner me de dag dat mijn vader me meetroonde naar het rek met de letter H. Hij keek me aan en zei: “Dit zal je zeker interesseren. Hemingway. Ik denk dat je best begint met zijn kortverhalen. Eens kijken.” Mijn vader haalde een boekje tevoorschijn en stopte het me in de handen. “Mannen Zonder Vrouwen”, een titel even simpel als subliem. Het gevoel in mijn vingertoppen zei me dat ik op het punt stond een heel nieuwe, onvermoede wereld te ontdekken, een nieuw continent, fris en onontgonnen.
Ik ben mijn vader altijd dankbaar gebleven voor dat ene moment. Tot de dag waarop ik sterf, zal ik met liefde terugdenken aan dat moment: mijn vader naast me, het boek in mijn handen, de hoopvolle spanning die zich ergens tussen middenrif en hoofd nestelde. ‘s Avonds, in het licht van het lampje naast mijn bed, las ik over een oude matador, Manuel, die uitgejouwd wordt door de toeschouwers. Die gooien kussens en flessen de arena in, maar ondanks alle tegenkanting zet Manuel door, ook al gutst het bloed intussen uit zijn lichaam. Uiteindelijk slaagt hij erin de stier te doden en wordt afgevoerd naar de infirmería. Ik genoot, hoewel ik toen nog geen idee had van wat er allemaal achter het verhaal schuilgaat. Ik was getroffen door de onrechtvaardige reactie van het publiek, voelde me, vreemd genoeg, verbonden met de oude stierenvechter. Het bewijst “Papa’s” talent dat hij er zo vaak in slaagde de lezer mee te sleuren, het nodige gevoel heel subtiel in hem wakker te maken, een natuurlijk aanvoelen, een begrijpen zonder echt te begrijpen, een begrijpen dat dieper ligt dan datgene wat we met ons verstand kunnen vatten.
Ernest Hemingway en ik. Een flauwe glimlach speelt om mijn lippen als ik bedenk hoe het allemaal jaren geleden begon. Toen ik als jonge tiener de jeugdliteratuur ontgroeid bleek en klaar was om een veroveringstocht doorheen de volwassenenliteratuur op te zetten, bleek die verovering toch iets moeilijker te gaan dan ik wel had gedacht. Begin maar eens aan die ellenlange rijen vol dikke, logge ruggen in de bibliotheek. Op goed geluk begon ik dan maar te zoeken, belandde per toeval zelfs even in het rek “Grote Letters”. De boeken die ik naar huis meenam, waren meestal best aardig, maar mijn rusteloze aard had toch iets anders nodig, iets… tja, iets waarvan ik kon genieten zonder aarzelen, onvoorwaardelijk. Ik herinner me de dag dat mijn vader me meetroonde naar het rek met de letter H. Hij keek me aan en zei: “Dit zal je zeker interesseren. Hemingway. Ik denk dat je best begint met zijn kortverhalen. Eens kijken.” Mijn vader haalde een boekje tevoorschijn en stopte het me in de handen. “Mannen Zonder Vrouwen”, een titel even simpel als subliem. Het gevoel in mijn vingertoppen zei me dat ik op het punt stond een heel nieuwe, onvermoede wereld te ontdekken, een nieuw continent, fris en onontgonnen.
Ik ben mijn vader altijd dankbaar gebleven voor dat ene moment. Tot de dag waarop ik sterf, zal ik met liefde terugdenken aan dat moment: mijn vader naast me, het boek in mijn handen, de hoopvolle spanning die zich ergens tussen middenrif en hoofd nestelde. ‘s Avonds, in het licht van het lampje naast mijn bed, las ik over een oude matador, Manuel, die uitgejouwd wordt door de toeschouwers. Die gooien kussens en flessen de arena in, maar ondanks alle tegenkanting zet Manuel door, ook al gutst het bloed intussen uit zijn lichaam. Uiteindelijk slaagt hij erin de stier te doden en wordt afgevoerd naar de infirmería. Ik genoot, hoewel ik toen nog geen idee had van wat er allemaal achter het verhaal schuilgaat. Ik was getroffen door de onrechtvaardige reactie van het publiek, voelde me, vreemd genoeg, verbonden met de oude stierenvechter. Het bewijst “Papa’s” talent dat hij er zo vaak in slaagde de lezer mee te sleuren, het nodige gevoel heel subtiel in hem wakker te maken, een natuurlijk aanvoelen, een begrijpen zonder echt te begrijpen, een begrijpen dat dieper ligt dan datgene wat we met ons verstand kunnen vatten.
Madrid, 1936
Ik lig
in een kamer in een stad
ver weg
lig ik op bed,
terwijl de stad
draait en spint
achter gesloten oogleden,
tot in het trommelvlies,
waar ze zich vastzet.
Het raam, geopend,
heeft een blauwe glans.
Niemand die het ziet.
De gordijnen dansen zacht
en stil, op dit uur.
Het uur van waarheid,
als was het dat en
niets meer.
Het ruisen van de stad
houdt op,
elke werveling valt stil,
langzaam,
als het geluid van een druppel die valt,
als een klok die in de verte luidt.
In een kamer in een stad
ligt een man op bed.Wat rest is stilte.
in een kamer in een stad
ver weg
lig ik op bed,
terwijl de stad
draait en spint
achter gesloten oogleden,
tot in het trommelvlies,
waar ze zich vastzet.
Het raam, geopend,
heeft een blauwe glans.
Niemand die het ziet.
De gordijnen dansen zacht
en stil, op dit uur.
Het uur van waarheid,
als was het dat en
niets meer.
Het ruisen van de stad
houdt op,
elke werveling valt stil,
langzaam,
als het geluid van een druppel die valt,
als een klok die in de verte luidt.
In een kamer in een stad
ligt een man op bed.Wat rest is stilte.
Abonneren op:
Posts (Atom)