zaterdag 7 november 2009

Verglijdende generaties

Plots zag ik hem, wachtend op het perron. Ivan Sonck. Mager en elegant als altijd, met de beheerste bewegingen van een gentleman, en gekleed in een grijze broek, donkere coltrui en bruine vest. Alleen zijn haar was aan de slapen wat grijzer dan sinds ik hem het laatst had gezien.

Hij nam plaats in dezelfde coupé als ik, aan de overzijde van het gangpad. Tegenover me kwam een jongeman zitten, een student nog, met een krullenbol die bij kinderen vaak schattig wordt genoemd. Hij droeg een stoer, schreeuwerig T-shirt dat zich om zijn biceps spande. De muziek in zijn oren stond luid en was duidelijk hoorbaar boven het gekreun en gesteun van de wielen op de sporen. De hele tijd staarde hij strak uit het raam, onontvankelijk voor de aanwezigheid van de magere man die op enkele meters van hem ook uit het raam keek.

Dat gebeurt er dus met monumenten. Ze worden vergeten. Met elke nieuwe generatie een beetje meer.

woensdag 4 november 2009

Le temps perdu

Vanuit de auto zag ik hen zitten, op een plek waar ik normaal zelfs geen acht op sla. Een jongen en een meisje, zwijgend tegen elkaar geleund, niet lettend op de diepgele en rode bladeren die om hen heen dwarrelden en de grond steeds dikker bedekten. Ze leken niet te wachten op iets of iemand, maar zaten daar gewoon, te genieten van het koele herfstlicht om hen heen.

Ik kon het niet helpen te denken aan een warme ademtocht die richting de sterren kringelt, een koude kriebel over iemands rug en rimpels in een plas regenwater die even de perfecte weerspiegeling van de hemel en een hangende esdoorntak verstoren.

Zoveel mooie momenten, zoveel mooie beelden, zoals een man die in zijn eentje zit te schrijven op een bank op het perron. Hij buigt zich over het papier en vergeet de piepende, slissende remmen van voorbijschuivende treinen, het geklos en gebonk van de stalen wielen op de sporen, de lege of fronsende gezichten om hem heen. Tot de zon plots door de wolken breekt en zijn gezicht verwarmt.

Zoveel mooie momenten, maar geen tijd om ervan te genieten.

zaterdag 5 september 2009

Gedegouteerd

Zondagavond 30 augustus, 23.30: Ik spring op uit de zetel en loop tot net voor de tv. Terwijl de herhaling loopt, vertrekt mijn gezicht van afschuw. Ik zie hoe het been plooit, even blijft hangen onder de studs van de Standardspeler, en enkel en voet plots in een vreemde hoek als willoos aan de rest van het been bengelen. Alsof ze er nauwelijks nog een deel van uitmaken.

23.40: In beeld verschijnt een zwarte man in rood trainingspak. Je moet niet vergeten dat hij twee, drie jaar geleden zijn studs in de rug van Axel [Witsel, jb] heeft geplant. Mohamed Sarr zegt het kalm en vaststellend, alsof hij een simpele verklaring geeft. Enkele ogenblikken later verschijnt zijn trainer, Laszlo Bölöni, voor de camera. De journalist vraagt hem of hij de beelden van de tackle wil terugzien en becommentariëren. Bölöni draait zich met een woeste ruk om naar hem en zegt met onverholen woede: ‘Ik bekijk de beelden wanneer ik dat wil, niet wanneer jullie dat willen. Zet mij niet onder druk, meneer!’

Maandagochtend, 9.40: De nacht zit nog in mijn lijf. Midden in de duisternis heb je geen uitweg meer. Je bent er alleen met je gedachten. Je ziet de beelden, opnieuw en opnieuw, alsof je er zelf bij was. Eén naam vult je gedachten, niet meer dan een naam. Eindelijk lukt het je om in te slapen, maar je wordt wakker, keer op keer, en beleeft de hele zwik opnieuw. Zelfs aan de ontbijttafel kondigt de dag zich aan als moeilijk, want wat doe je met wat er in je rondspookt? Wat doe je met de woede, met het verdriet?

Je volgt de zaak op de voet, met een bezetenheid die grenst aan zelfdestructie. De reacties van Standard zijn klein, laaghartig zelfs. Standard-directeur Pierre François die na de match ostentatief applaudisseert voor zijn spelers; Bölöni en Defour die allebei zeggen dat het niet gebeurd zou zijn als de scheidsrechter even tevoren al had gefloten voor een overtreding; Defour die de supporters van Anderlecht na de gruwelijke overtreding nog wat uitdaagt en in de laatste minuut van de wedstrijd, nota bene in het midden van het veld, Boussoufa nog een doodschop verkoopt. En dat terwijl hij eerder in de wedstrijd van erg dichtbij had gezien hoe Witsel het been van Wasilewski letterlijk doormidden trapte. Nog schandaliger was de reactie van ex-Standardspeler Philippe Léonard. Die schreef in een column voor de krant Sud Presse dat Wasyl ‘zijn verdiende loon had gekregen’ en Witsel ‘maar twee wedstrijden geschorst hoefde te worden.’

Even onbegrijpelijk is de arrogantie waarmee Standard weigert echt ‘sorry’ te zeggen of zelfs maar enige zelfreflectie te overwegen. Integendeel, de club schiet op iedereen die ook maar iets van kritiek durft te uiten op haar. You’re either with us or against us. Standard vindt het nazisme opnieuw uit. Het deelt de wereld als een dictator in in voor- en tegenstanders. Een mentaliteit om ziek van te worden.

Zelfs nu, op het moment dat ik dit schrijf, buig ik deemoedig het hoofd. Net als Anderlecht-trainer Ariel Jacobs ben ik gedegouteerd. Er is iets gebroken in mij. Ik had nooit gedacht dat rivaliteit kon uitgroeien tot brandende, schokkende haat. Maar meer nog dan ongeloof, overheerst het verdriet. Als de club lijdt, lijdt de supporter mee. De pijn is even erg als wanneer een goede kennis van je, iemand die je respecteert en graag hebt, geraakt wordt. Pas op momenten als deze voel je echt de verbondenheid met iedereen binnen je club, jouw club.

‘Voetbal is een domme sport. Het is beter dat je jezelf er niet in verdiept’, zei ik die fatale zondagavond nog half lachend tegen de persoon tegenover me aan het tafeltje. Tegen de ironie van het leven sta je machteloos.

Terwijl de regen tegen het raam aan tikt, vraag ik mezelf af hoe het nu verder moet. Hoe kan je verder gaan en doen alsof er niets gebeurd is? Wat als Witsel in januari meespeelt in Standard-Anderlecht? Zal hij dan niet fors aangepakt worden door de Anderlecht-spelers? Dreigen we daardoor niet in een nieuwe uitbarsting van voetbalgeweld terecht te komen?

Ik hou mijn hart vast en denk aan de man in het ziekenhuisbed. Wasilewski is zijn naam.


Foto's Belga



donderdag 13 augustus 2009

De pupil en de leermeester


De slappe lach. Het overkomt me weinig, maar maandagavond had ik 'm. Sportjournalist Frank Raes verwelkomde de kijker bij de tweede aflevering van Extra Time en kruiste de armen. Niks bijzonders, ware het niet dat Filip Joos, zowat de pupil van Raes, op dat eigenste ogenblik ook de armen kruiste. Twee-eenheid heet zoiets.

Ik spoelde terug - ik had het programma opgenomen - en bekeek het nog eens, en nog eens. De tranen rolden me net niet over de wangen. Gelukkig zijn, heet zoiets.
copyright foto: Herman Ricour, Corelio

zaterdag 21 maart 2009

Als een dwaas

'My,' she said. 'We're lucky that you found the place.'
'We're always lucky,' I said and like a fool I didn't knock on wood. There was wood everywhere in that apartment to knock on.
(Ernest Hemingway, A Moveable Feast)

Geluk en wanneer het overgaat.