dinsdag 27 februari 2007

0.30 am

Ik wil slapen. Slapen doet deugd als je het verdriet als een bal in de maag voelt zitten. Maar ik ben een nachtmens, dus wordt dat zalige moment van loslaten mij ontnomen door mezelf. Door mijn eigen stomme lichaam.

Slapen. De vergetelheid in glijden, er vertoeven, heel even, liefst enkele uren lang. Tot je wakker wordt en de hele zwik weer hard in je bewustzijn valt.

Maar de avonden, niet de ochtenden, zijn het ergst. Als de duisternis valt, ben je alleen met je gedachten. "It is awfully easy to be hard-boiled about everything during the daytime, but at night it is another thing." Ik weet het, ik ben hier weer met m'n Hemingway. Maar het is een zin die o zo raak is. Het is een zin die, als je hem leest, heel even de Waarheid vormt, de Waarheid en niets dan de Waarheid.

Ik ben moe, wil slapen. Ik wil dat de nacht me omarmt.

donderdag 22 februari 2007

Nada

Mijn pantser breekt. Ik had gedacht de eenzaamheid te kunnen afwenden, dacht zelfs dat ik helemaal niet eenzaam was. Een tijdlang ben ik er ook in geslaagd gelukkig te zijn met mezelf. Want misschien is eenzaamheid net dat: je verlaten voelen door je eigen ik, alsof je plots niet blijkt te zijn wie je dacht. Je bent niet genoeg voor jezelf.

Alleszins was ik een tijd niet langer eenzaam. Maar ik ben plots bang het opnieuw te worden.

Eén moment van luciditeit, zo helder dat het me met verstomming sloeg. Eén moment, maar dan wel een dat twee uur duurde. Daarnet heb ik The Remains of the Day gezien, de film naar het boek. Zoals een vriend een tijd geleden opmerkte, zei een wereldberoemde filosoof-zielenknijper dat je vaak van een boek of film houdt omdat je jezelf erin herkent. Nu heb ik dat al vrij vaak meegemaakt, en dat was lang niet altijd prettig, maar zelden heeft een boek of film me tot een beslissing gebracht. Ik weet dat ik ze móet nemen, kan ze niet langer voor me uit schuiven, zoals de toekomst zichzelf voor ons uit schuift. Tot er geen toekomst meer is, alleen einde, en dan niets meer. En dat niets, míjn niets, is eenzaamheid. Hemingways nada. Ik wil een licht voor de nacht, dat me zegt dat ik juist zit.

Vaak weet een mens pas wat hij heeft, als hij het dreigt te verliezen.

maandag 19 februari 2007

Het Vrolijke Bestaan

Tijd voor nog wat literatuur. Daarom een fragment uit een van mijn verhalen, "Het Vrolijke Bestaan" (DWB, februari 2006):

VII

Het lijkt wel of ik dood ben en in een andere, geruisloze wereld ben terechtgekomen. Het zou me niet kunnen schelen als ik effectief al dood zou blijken te zijn. De sneeuw, de kale, dorre boomstammen en de loodkleurige hemel komen me kil en onbekend over. Is dit het dorp waarin ik ben opgegroeid?

Zolang er sneeuw ligt, wordt het nooit donker. De gedachte verrast me. Precies wat ik vroeger dacht. Nog niet zo lang geleden – wat is een jaar in een mensenleven? – moest ik nog maar een sneeuwlandschap zien of ik werd al bevangen door een haast kinderlijke gelukzaligheid, zij het ingetogener, vrediger, zonder de drang om meteen naar buiten te hollen en een sneeuwpop te maken. Nu wil ik niets meer, behalve het leven, voor de luttele tijd die me nog gegund is, met opengesperde ogen aanstaren, en terugdenken.

Langzaam daal ik de heuvel af. De daken op de heuvel tegenover me zijn witbesneeuwd, de bomen nevelig zwart. Had ik de seconde waarop ik haar naam zei en ze zich omdraaide naar me, die ene seconde waarop ze me zacht aankeek, voor ze mijn toekomst vermoordde, maar kunnen vasthouden. Had ik mijn leven maar kunnen stopzetten op die ene seconde, terwijl alles rond mij en haar zijn gewone dagelijkse ritme bleef tikken. De wonde aan mijn hand klopt in alle hevigheid. Ik kan het bloed bijna voelen stromen.

Haar lange, roodbruine haren; haar heerlijke, hevig blauwe ogen, als de Zuid-Franse hemel; de lichte blos op haar wangen; haar mooie mond; die heerlijke glimlach van haar. Kon ik haar vatten in de mooiste poëzie, ik deed het. Maar ik kan het niet. Ze is te prachtig om in woorden te vatten. Mijn pogingen zouden ondergesneeuwd raken als lijken, kil en koud zijn en niets van haar schoonheid in zich dragen. Hoe had ik haar schoonheid ooit kunnen neerschrijven zonder er afbreuk aan te doen? Ze is niet te vatten in poëzie, ze ís poëzie.

Plots heb ik zin om op de grond te gaan liggen. Ik weet niet waarom. Het heeft geen zin haar naam te fluisteren in de koude, ochtendlijke stilte, middenin dit haast vredige sneeuwlandschap. Het heeft geen zin.

Een man schreeuwt: “Vuur!” Ik hoor de schoten. Mijn laatste moment is voorbij.

zaterdag 10 februari 2007

Samen sterk

Toen ik donderdagavond thuiskwam, vond ik een pakket bij mijn post. Op zich niet zo verwonderlijk, natuurlijk, ware het niet dat de afzender wellicht eerder geneigd is een postpakket op te sturen naar mijn huisgenoten dan naar uw nederige blogger. Binnenin vond ik kopies van artikels. Een begeleidend briefje maakte de inhoud ervan meteen duidelijk:
Hallo Jeroen,
Zoals beloofd in mijn laatste e-mail stuur ik u de (oude)
krantenartikels i.v.m. de Spaanse burgeroorlog op.

De formele toon van het briefje verraste me wat, moet ik zeggen. De afzender en ik kennen elkaar al bijna een decennium. Lang genoeg dus om de beleefdheidsvorm achterwege te laten. Ook wist ik niet over welke e-mail hij het had. Een e-mail naar mijn vader, bleek later.

In ieder geval, toen ik de tekst op het papiertje gelezen had, kon ik niet anders dan breed glimlachen. Zo'n twee weken geleden, op een moment dat ik met mijn hoofd nog volledig in de sfeer van Salvador zat, had ik een gesprek met een Spaanse vriendin. We praatten wat over het regime van Franco en hoe het de gedachten en levens van de Spanjaarden verwoestte. Plots begon mijn gesprekspartner te vertellen over haar overgrootvader. Hij woonde bij het begin van de Burgeroorlog in Andalusië en trok regelmatig naar de dorpen in de omgeving om er de kinderen te onderrichten. Een eenvoudige onderwijzer dus, die zich niet bepaald bezighield met politiek. En dat in een regio waar de anarchisten en communisten even makkelijk ontsproten als dat er de flamenco werd gedanst.

De geschiedenis van de rondtrekkende leraar trof me zo diep, dat ik besloot een verhaal over hem te schrijven. Toen ik dat plan voorlegde aan mijn Spaanse "bron", reageerde ze eerst verrast. Maar beetje bij beetje sijpelde het enthousiasme in haar. Ze vertelde me meer details over het leven van haar overgrootvader, betrok zelfs haar vader bij mijn plan. Vreemd genoeg was ook hij enthousiast. Al tijdens onze ontmoeting in juli vorig jaar bleek dat hij liever niet aan de Burgeroorlog en het daaropvolgende Francotijdperk herinnerd werd. Veel Spanjaarden klemmen ook nu nog liever de lippen op elkaar als het over die periode gaat. De pijn zit te diep.

Waarom de man toch besloot aan het project mee te werken, is me een raadsel. Misschien ziet hij mijn plan als het geschikte moment om een stukje van de tere waarheid naar buiten te brengen, een kans om buitenlanders te laten zien wat er decennia lang werkelijk gebeurd is achter het gordijn. Misschien wil hij me helpen als eerbetoon voor zijn vader, de zoon van de rondtrekkende onderwijzer. Of voor de hele familie, die zoveel jaren na dato nog altijd geen inzage krijgt in Franco's archieven. Wat ook de beweegredenen van de man zijn, alleen een grote "Muchas gracias" van mij is op zijn plaats.

Vorige week dan stelde zijn dochter voor dat we een gemeenschappelijke, Belgische vriendin zouden inlichten over het project. Die sprak erover met haar vader, met het postpakket tot gevolg.

Of hoe het levensverhaal van één eenvoudige man mensen samenbrengt. Knap.

donderdag 8 februari 2007

Sneeuw en kraaien

Opstaan met een sneeuwlandschap. Buitenkomen en de witte kristallen onder je voeten horen kraken. En toch ligt er in dat vertrouwde geluid, in heel die witte omgeving, iets zwaarmoedigs. De ingetogenheid heeft altijd iets triests. Een landschap van wit en nevelig zwart doet me altijd denken aan één bepaalde scène uit Cold Mountain. Een man strompelt in de verte, onder een prieel van overhangende takken en rots, door de sneeuw. Kraaien schieten krassend langs hem heen. De man zijgt neer. Een jonge vrouw, Ada, schreeuwt zijn naam, snelt op hem toe en buigt zich over hem. Bloed stroomt uit de kogelwonde in haar geliefdes buik.

Als beeld kan dit tellen. Maar het boek is nog een stuk beter dan de film. Neem deze scène:

An observer situated up on the brow of the ridge would have looked down on a still, distant tableau in the winter woods. A creek, remnants of snow. A wooded glade, secluded from the generality of mankind. A pair of lovers. The man reclined with his head in the woman's lap. She, looking down into his eyes, smoothing back the hair from his brow. He, reaching an arm awkwardly around to hold her at the soft part of her hip. Both touching each other with great intimacy. A scene of such quiet and peace that the observer on the ridge could avouch to it later in such a way as might lead those of glad temperaments to imagine some conceivable history where long decades of happy union stretched before the two on the ground.
(Cold Mountain, Charles Frazier, Vintage Books, 1998, p.445)

Vanochtend was het dus weer zover. Ik kon het niet helpen. Dat heerlijke Cold Mountain-gevoel kwam weer over me. Ik was nog maar enkele voetstappen ver of hoog boven me weerklonk het gekras dat ik zo goed kende. Ik denk dat kraaien van sneeuw houden. Alleen als het gesneeuwd heeft hoor je zo vaak hun gekras. Alsof ze hun lach niet kunnen inhouden. Waar alle andere geluiden door het sneeuwtapijt gedempt worden, klinkt hun roep harder en helderder dan ooit. Kraaien en sneeuw. En de zwarte silhouetten van de bomen. Ik kon een stille glimlach niet onderdrukken.

dinsdag 6 februari 2007

Het "kwakske" van Lisbeth Imbo

"Zet dat maar net boven dat kwakske, daar." Ik draaide me om, mijn gezicht vervuld van verbazing. Lisbeth Imbo, de warmste stem van "De Wandelgangen" op Radio 1, had het over een geluidscurve op de monitor van de montagecomputer. "Ja, ik noem dat een kwakske." Na het liveke nu ook het kwakske. Moet er nog zand zijn? Maar goed, een kwakske, dus. Vreemd.

Ook vreemd: haar te zien schaterlachen tot de tranen haar in de ogen schieten. De godin werd mens, gisteren. En mijn bewondering nog groter.

maandag 5 februari 2007

Goodbye Salva

Zelden heb ik zo verdwaasd rondgelopen in een stad als na het zien van Manuel Huerga's Salvador. De gebouwen die ik al mijn leven lang kende, leken me plots heel vreemd, unheimlich. Alsof dit niet mijn stad was, niet mijn land. Alsof er op dat ogenblik maar één enkel land voor me telde: Spanje. De naam Puig Antich brandde op mijn lippen als een traan in een oog. Hard en zuiver, bitterzoet.

Hij verdiende het niet. Akkoord, een jarenlange celstraf zou op zijn plaats zijn geweest. Tenslotte was hij deels verantwoordelijk voor de dood van een agent. Maar de doodstraf? Nee, dat is een brug te ver. En moest de terechtstelling echt met de wurgpaal gebeuren? Wanneer Salvador in de film de kamer binnenkomt waar het tuig staat opgesteld, zijn de enige woorden die hij kan uitbrengen: "Que horrible." Zijn van angst en afschuw vertrokken gezicht was heel even het mijne.

Hij wou leven, toen. Niet meer leven om vrij te zijn, zoals maanden, jaren tevoren. Enkel leven. Het was hem niet gegund. Zelfs een oproep van de paus hielp niet. Dictator Franco bleef bij zijn besluit.

Antich wou leven, geen icoon worden voor de duizenden levens die Franco's regime verwoestte. Maar hij werd het toch. Zijn verhaal bracht iets in beweging, gaf de Spanjaarden de kracht om te roepen dat het zo niet verder kon.

We hebben niks geleerd. Integendeel. Sinds Salvadors dood zijn angst en repressie de wereld steeds meer gaan regeren: Bosnië, Servië, Israël en Palestina, Irak, de aanslagen van 11 september, 11 maart, 7 juli. Bush en Bin Laden: de wereld in extremen. Pinochet, Milosevic, Saddam Hoessein en zovele anderen. I si canto trist is het enige wat ik hierop kan zeggen.

Wat Salvador me opnieuw duidelijk heeft gemaakt, is waarom ik schrijver en journalist wil worden. Onrecht. Verdrukking. Ik wil dat de wereld het weet. Ik wil schrijven, schrijven alsof mijn ziel via mijn vingers en pen naar buiten geperst wordt. Ik ben geen man van idealen. Als ik al een ideaal heb, is het menselijkheid. Maar ik wil ervoor vechten. Een beetje menselijkheid, een beetje begrip in heel deze klotezooi. Meer vraag ik niet.

Salvador. Hij wilde vrij zijn, in een land waar dat niet mocht. Vrij om lief te hebben, te vrijen, weg te dromen, Catalaans te spreken, bekommerd te zijn om medemensen. Antich is erin geslaagd anderen vrij te maken, niet in het minst zijn zusje Merçona. Misschien was het genoeg om hen, zoals in de film, de ogen te doen sluiten en te doen denken aan een plek, zonder tralies, zonder glas om hen tegen te houden. Simpelweg de ogen sluiten en wegvliegen, ver van angst en verdrukking. Bye bye, darling. Goodbye.