maandag 19 februari 2007

Het Vrolijke Bestaan

Tijd voor nog wat literatuur. Daarom een fragment uit een van mijn verhalen, "Het Vrolijke Bestaan" (DWB, februari 2006):

VII

Het lijkt wel of ik dood ben en in een andere, geruisloze wereld ben terechtgekomen. Het zou me niet kunnen schelen als ik effectief al dood zou blijken te zijn. De sneeuw, de kale, dorre boomstammen en de loodkleurige hemel komen me kil en onbekend over. Is dit het dorp waarin ik ben opgegroeid?

Zolang er sneeuw ligt, wordt het nooit donker. De gedachte verrast me. Precies wat ik vroeger dacht. Nog niet zo lang geleden – wat is een jaar in een mensenleven? – moest ik nog maar een sneeuwlandschap zien of ik werd al bevangen door een haast kinderlijke gelukzaligheid, zij het ingetogener, vrediger, zonder de drang om meteen naar buiten te hollen en een sneeuwpop te maken. Nu wil ik niets meer, behalve het leven, voor de luttele tijd die me nog gegund is, met opengesperde ogen aanstaren, en terugdenken.

Langzaam daal ik de heuvel af. De daken op de heuvel tegenover me zijn witbesneeuwd, de bomen nevelig zwart. Had ik de seconde waarop ik haar naam zei en ze zich omdraaide naar me, die ene seconde waarop ze me zacht aankeek, voor ze mijn toekomst vermoordde, maar kunnen vasthouden. Had ik mijn leven maar kunnen stopzetten op die ene seconde, terwijl alles rond mij en haar zijn gewone dagelijkse ritme bleef tikken. De wonde aan mijn hand klopt in alle hevigheid. Ik kan het bloed bijna voelen stromen.

Haar lange, roodbruine haren; haar heerlijke, hevig blauwe ogen, als de Zuid-Franse hemel; de lichte blos op haar wangen; haar mooie mond; die heerlijke glimlach van haar. Kon ik haar vatten in de mooiste poëzie, ik deed het. Maar ik kan het niet. Ze is te prachtig om in woorden te vatten. Mijn pogingen zouden ondergesneeuwd raken als lijken, kil en koud zijn en niets van haar schoonheid in zich dragen. Hoe had ik haar schoonheid ooit kunnen neerschrijven zonder er afbreuk aan te doen? Ze is niet te vatten in poëzie, ze ís poëzie.

Plots heb ik zin om op de grond te gaan liggen. Ik weet niet waarom. Het heeft geen zin haar naam te fluisteren in de koude, ochtendlijke stilte, middenin dit haast vredige sneeuwlandschap. Het heeft geen zin.

Een man schreeuwt: “Vuur!” Ik hoor de schoten. Mijn laatste moment is voorbij.

Geen opmerkingen: