vrijdag 23 mei 2008

Halfduister

Soms lazen we in bed, half tegen elkaar aan, op onze rug, op onze buik, in stilte, tot een van ons in slaap viel. Meestal was ik dat.

Maar ik koesterde de momenten dat ik uit mijn boek opkeek en merkte dat zíj was ingedommeld. Ik legde mijn boek weg, nam het hare voorzichtig vantussen haar vingers of, als het tussen haar vingers door was gegleden, van de plek waar het was beland, en legde het bovenop het mijne.

Toen knipte ik het licht uit en keek naar haar, in het halfduister van de kamer, dat eigen is aan een stad vol neonlicht, eigen aan een stad die nooit volledig slaapt. Ik keek naar haar, haar ooit gebroken neus, de blauwe aders onder de doorschijnende, breekbare huid van haar slapen. Ik wilde mijn vingers op haar slaap leggen, net onder haar blonde haar, en de stroom van leven eronder voelen. Maar ik deed het niet. In plaats daarvan keek ik, naar de zachte deining van haar borst, de warme adem die tussen haar lippen gleed. Ik wilde haar wakker maken, met haar vrijen, in haar gedachten en in haar armen zijn en me, gebroken en verward door haar glimlach, aan haar overgeven. Maar ik deed het niet. Ik keek naar haar.

maandag 19 mei 2008

Tussen vrees en euforie: de bekerfinale door de ogen van een supporter


Spanning, nervositeit, euforie. Ik kan onmogelijk zeggen wat er nog allemaal in me omging toen ik gisterennamiddag de tribune van het Koning Boudewijnstadion opstapte. Het kwam allemaal terug, het verlangen, de trots, het voorzichtig langs knieën heen naar je plaats schuifelen, ondertussen je af en toe vasthouden aan een schouder, de muziek door de luidsprekers, het plastic stoeltje onder je zitvlak; ik was veel te lang weggeweest. Toen ik eindelijk neerzat, keek ik naar de zacht glooiende, hoge tribune rechts van me, die zich als een brede helling uitstrekte. De helling was paars en wit gekleurd, met die zacht mauve, haast purperen tint die alleen de zon eraan geeft. Een tifo met in het rood de letters RSCA gleed als vanzelf over de paars-witte massa. De tribunes leefden, ze zongen, een kwartier voor de match. Zowat 20.000 kelen die zich roerden, oorverdovend, suizend. Moeilijk daaraan te weerstaan.
De tribune recht voor me, aan de overkant, stond doodstil, maar blauw-wit geblokte vlaggen golfden heen en weer. Het grijzige wolkendek boven de tribune gleed steeds verder open. Alsof je in een open cocon vol leven zat, terwijl daarbuiten stilte heerste.

Ik liet mijn ogen over die andere brede tribune glijden. Ook daar een zee aan blauw-witte vlaggen.

Gent was beter in de eerste helft. Het deed pijn toen Foley al na zes minuten een schot van Ruiz binnengleed, net zoals het pijn deed toen het schot van Olufade afweek en in doel rolde. Het deed pijn de blauw-witten naar elkaar toe te zien lopen, terwijl het gejuich van de overkant je gedempt bereikt, jij die in de stilte zit.

De frustratie maakt zich meester van je, schakelt je kalmte uit. Je vloekt, bij elke nieuwe verre kruispass op Boussoufa die niet aankomt. Tijdens de rust vraag je je af wat het zal worden. Het hoeft niet, die muziek, je wil alleen zijn, je wil niemand horen, niemand zien. Was je maar thuisgebleven.

En toch. Je gunt het hen wel, die sympathieke Gentenaars. Je aanvaardt het, je begint te denken aan de sfeer voor de wedstrijd. Dat heb je toch gehad.

Na de rust wordt Vlcek vervangen door Chatelle. Hij brengt snelheid, hij brengt diepgang. Je voelt dat het kan.

Plots, Fadiga neemt aan, draait, trapt, tegen de paal. Voor een fractie van een seconde staat alles stil, je adem, je hart, de tijd. Dan herneemt alles weer.

Enkele minuten daarna, na weer een goede aanval van Gent, hoor je ergens rechts achter je 'Hassan, Hassan!', waarop iemand anders het overneemt, dan nog iemand links van je, en voor je het weet met 20.000 anderen de naam scandeert.

Dan komt hij erin. Hassan. Gevaarlijke wissel, Wasilewski eruit, een verdediger minder. En toch. Je voelt het. Er zit meer snee in het team, meer frivoliteit, meer onberekenbaarheid ook. Ze beginnen écht te voetballen.

Chatelle verovert de bal, hij gaat de lijn af, recht voor je neus, Polak wil de bal overnemen, maar Chatelle duwt hem weg. Chatelle zet voor. Aan de tweede paal staat Boussoufa vrij. De bal vertrekt van zijn hoofd en de bal draait tegen de netten. Je wordt gek, je wordt ongelooflijk gek, je hoort jezelf nog nauwelijks schreeuwen in het kabaal dat van de tribunes rolt, terwijl je de vuisten balt en met alles wat in je zit, dank zegt omdat je dit mag meemaken.

Twee minuten later is de rust nog maar net teruggekeerd als Hassan op diezelfde rechterflank als daarnet de bal aan de voet heeft en oprukt. De West-Vlaming achter je zegt voor de honderdste keer: 'Allez, Hassan, doe entwa, jongtje.' Hassan stuurt de bal over de verdediging. Boussoufa is dan al vertrokken en heeft een verdediger meegelokt, waardoor er centraal ruimte ontstaat. Boussoufa tikt de bal in één tijd met de hak naar Guillaume Gillet, die met rechts uithaalt. Je lichaam spant zich op, je bent zonder dat je het weet rechtgesprongen. De bal gaat richting linkerbenedenhoek en zet de netten bol. Je lichaam ontspant zich, je laat de spanning los, je schreeuwt het uit, opnieuw, de adrenaline en euforie kolken in je lichaam en vinden uitdrukking in je wilde gebaren. De West-Vlaming achter je valt tegen je aan, springt je bijna in je nek, je pakt hem vast en viert. Dan laat je los en viert nog wat meer.
(Foto's: sportwereld.be; sport.be; sportwereld.be)