Zondagavond 30 augustus, 23.30: Ik spring op uit de zetel en loop tot net voor de tv. Terwijl de herhaling loopt, vertrekt mijn gezicht van afschuw. Ik zie hoe het been plooit, even blijft hangen onder de studs van de Standardspeler, en enkel en voet plots in een vreemde hoek als willoos aan de rest van het been bengelen. Alsof ze er nauwelijks nog een deel van uitmaken.
23.40: In beeld verschijnt een zwarte man in rood trainingspak. Je moet niet vergeten dat hij twee, drie jaar geleden zijn studs in de rug van Axel [Witsel, jb] heeft geplant. Mohamed Sarr zegt het kalm en vaststellend, alsof hij een simpele verklaring geeft. Enkele ogenblikken later verschijnt zijn trainer, Laszlo Bölöni, voor de camera. De journalist vraagt hem of hij de beelden van de tackle wil terugzien en becommentariëren. Bölöni draait zich met een woeste ruk om naar hem en zegt met onverholen woede: ‘Ik bekijk de beelden wanneer ik dat wil, niet wanneer jullie dat willen. Zet mij niet onder druk, meneer!’
Maandagochtend, 9.40: De nacht zit nog in mijn lijf. Midden in de
duisternis heb je geen uitweg meer. Je bent er alleen met je gedachten. Je ziet de beelden, opnieuw en opnieuw, alsof je er zelf bij was. Eén naam vult je gedachten, niet meer dan een naam. Eindelijk lukt het je om in te slapen, maar je wordt wakker, keer op keer, en beleeft de hele zwik opnieuw. Zelfs aan de ontbijttafel kondigt de dag zich aan als moeilijk, want wat doe je met wat er in je rondspookt? Wat doe je met de woede, met het verdriet?
Je volgt de zaak op de voet, met een bezetenheid die grenst aan zelfdestructie. De reacties van Standard zijn klein, laaghartig zelfs. Standard-directeur Pierre François die na de match ostentatief applaudisseert voor zijn spelers; Bölöni en Defour die allebei zeggen dat het niet gebeurd zou zijn als de scheidsrechter even tevoren al had gefloten voor een overtreding; Defour die de supporters van Anderlecht na de
gruwelijke overtreding nog wat uitdaagt en in de laatste minuut van de wedstrijd, nota bene in het midden van het veld, Boussoufa nog een doodschop verkoopt. En dat terwijl hij eerder in de wedstrijd van erg dichtbij had gezien hoe Witsel het been van Wasilewski letterlijk doormidden trapte. Nog schandaliger was de reactie van ex-Standardspeler Philippe Léonard. Die schreef in een column voor de krant Sud Presse dat Wasyl ‘zijn verdiende loon had gekregen’ en Witsel ‘maar twee wedstrijden geschorst hoefde te worden.’
Even onbegrijpelijk is de arrogantie waarmee Standard weigert echt ‘sorry’ te zeggen of zelfs maar enige zelfreflectie te overwegen. Integendeel, de club schiet op iedereen die ook maar iets van kritiek durft te uiten op haar. You’re either with us or against us. Standard vindt het nazisme opnieuw uit. Het deelt de wereld als een dictator in in voor- en tegenstanders. Een mentaliteit om ziek van te worden.
Zelfs nu, op het moment dat ik dit schrijf, buig ik deemoedig het hoofd. Net als Anderlecht-trainer Ariel Jacobs ben ik gedegouteerd. Er is iets gebroken in mij. Ik had nooit gedacht dat rivaliteit kon uitgroeien tot brandende, schokkende haat. Maar meer nog dan ongeloof, overheerst het verdriet. Als de club lijdt, lijdt de supporter mee. De pijn is even erg als wanneer een goede kennis van je, iemand die je respecteert en graag hebt, geraakt wordt. Pas op momenten als deze voel je echt de verbondenheid met iedereen binnen je club, jouw club.
‘Voetbal is een domme sport. Het is beter dat je jezelf er niet in verdiept’, zei ik die fatale zondagavond nog half lachend tegen de persoon tegenover me aan het tafeltje. Tegen de ironie van het leven sta je machteloos.
23.40: In beeld verschijnt een zwarte man in rood trainingspak. Je moet niet vergeten dat hij twee, drie jaar geleden zijn studs in de rug van Axel [Witsel, jb] heeft geplant. Mohamed Sarr zegt het kalm en vaststellend, alsof hij een simpele verklaring geeft. Enkele ogenblikken later verschijnt zijn trainer, Laszlo Bölöni, voor de camera. De journalist vraagt hem of hij de beelden van de tackle wil terugzien en becommentariëren. Bölöni draait zich met een woeste ruk om naar hem en zegt met onverholen woede: ‘Ik bekijk de beelden wanneer ik dat wil, niet wanneer jullie dat willen. Zet mij niet onder druk, meneer!’
Maandagochtend, 9.40: De nacht zit nog in mijn lijf. Midden in de
duisternis heb je geen uitweg meer. Je bent er alleen met je gedachten. Je ziet de beelden, opnieuw en opnieuw, alsof je er zelf bij was. Eén naam vult je gedachten, niet meer dan een naam. Eindelijk lukt het je om in te slapen, maar je wordt wakker, keer op keer, en beleeft de hele zwik opnieuw. Zelfs aan de ontbijttafel kondigt de dag zich aan als moeilijk, want wat doe je met wat er in je rondspookt? Wat doe je met de woede, met het verdriet?Je volgt de zaak op de voet, met een bezetenheid die grenst aan zelfdestructie. De reacties van Standard zijn klein, laaghartig zelfs. Standard-directeur Pierre François die na de match ostentatief applaudisseert voor zijn spelers; Bölöni en Defour die allebei zeggen dat het niet gebeurd zou zijn als de scheidsrechter even tevoren al had gefloten voor een overtreding; Defour die de supporters van Anderlecht na de
gruwelijke overtreding nog wat uitdaagt en in de laatste minuut van de wedstrijd, nota bene in het midden van het veld, Boussoufa nog een doodschop verkoopt. En dat terwijl hij eerder in de wedstrijd van erg dichtbij had gezien hoe Witsel het been van Wasilewski letterlijk doormidden trapte. Nog schandaliger was de reactie van ex-Standardspeler Philippe Léonard. Die schreef in een column voor de krant Sud Presse dat Wasyl ‘zijn verdiende loon had gekregen’ en Witsel ‘maar twee wedstrijden geschorst hoefde te worden.’Even onbegrijpelijk is de arrogantie waarmee Standard weigert echt ‘sorry’ te zeggen of zelfs maar enige zelfreflectie te overwegen. Integendeel, de club schiet op iedereen die ook maar iets van kritiek durft te uiten op haar. You’re either with us or against us. Standard vindt het nazisme opnieuw uit. Het deelt de wereld als een dictator in in voor- en tegenstanders. Een mentaliteit om ziek van te worden.
Zelfs nu, op het moment dat ik dit schrijf, buig ik deemoedig het hoofd. Net als Anderlecht-trainer Ariel Jacobs ben ik gedegouteerd. Er is iets gebroken in mij. Ik had nooit gedacht dat rivaliteit kon uitgroeien tot brandende, schokkende haat. Maar meer nog dan ongeloof, overheerst het verdriet. Als de club lijdt, lijdt de supporter mee. De pijn is even erg als wanneer een goede kennis van je, iemand die je respecteert en graag hebt, geraakt wordt. Pas op momenten als deze voel je echt de verbondenheid met iedereen binnen je club, jouw club.
‘Voetbal is een domme sport. Het is beter dat je jezelf er niet in verdiept’, zei ik die fatale zondagavond nog half lachend tegen de persoon tegenover me aan het tafeltje. Tegen de ironie van het leven sta je machteloos.
Terwijl de regen tegen het raam aan tikt, vraag ik mezelf af hoe het nu verder moet. Hoe kan je verder gaan en doen alsof er niets gebeurd is? Wat als Witsel in januari meespeelt in Standard-Anderlecht? Zal hij dan niet fors aangepakt worden door de Anderlecht-spelers? Dreigen we daardoor niet in een nieuwe uitbarsting van voetbalgeweld terecht te komen?
Ik hou mijn hart vast en denk aan de man in het ziekenhuisbed. Wasilewski is zijn naam.
Foto's Belga
1 opmerking:
Dag Jeroen, ik zie dat we hetzelfde gevoel van afkeer delen. Leuk om weten.
Een reactie posten