Posts tonen met het label Leven (Fucking Leven). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Leven (Fucking Leven). Alle posts tonen

woensdag 4 november 2009

Le temps perdu

Vanuit de auto zag ik hen zitten, op een plek waar ik normaal zelfs geen acht op sla. Een jongen en een meisje, zwijgend tegen elkaar geleund, niet lettend op de diepgele en rode bladeren die om hen heen dwarrelden en de grond steeds dikker bedekten. Ze leken niet te wachten op iets of iemand, maar zaten daar gewoon, te genieten van het koele herfstlicht om hen heen.

Ik kon het niet helpen te denken aan een warme ademtocht die richting de sterren kringelt, een koude kriebel over iemands rug en rimpels in een plas regenwater die even de perfecte weerspiegeling van de hemel en een hangende esdoorntak verstoren.

Zoveel mooie momenten, zoveel mooie beelden, zoals een man die in zijn eentje zit te schrijven op een bank op het perron. Hij buigt zich over het papier en vergeet de piepende, slissende remmen van voorbijschuivende treinen, het geklos en gebonk van de stalen wielen op de sporen, de lege of fronsende gezichten om hem heen. Tot de zon plots door de wolken breekt en zijn gezicht verwarmt.

Zoveel mooie momenten, maar geen tijd om ervan te genieten.

maandag 7 juli 2008

And so we beat on...

Zij. Van alle mensen die in die stad rondliepen. Dat ik net haar moest terugzien. Een flits van diepblauw, haar gezicht, haar haren. Ze was nog niets veranderd, met haar smalle lippen en zwarte lange haren die dansten bij elke stap. Ze leek ongelukkig, nog altijd, opnieuw misschien. Ze liep enkele passen achter een lange, eerder magere man, die zich half omdraaide naar haar en met een duidelijk West-Vlaams accent snauwde: 'Waar blijf je nu toch weer, zeg?!'

Mario. Ik wist het zeker. Ze was weer bij hem en hij was dus nog geen haar veranderd.

Ik wilde haar helpen, zoals twee jaar geleden. Ze had me nauwelijks toegelaten tot het schimmenrijk waar ze toen in vertoefde, maar ik koesterde de momenten waarop ze het wel had gedaan. Haar stem die brak, onder de hoge bomen in de stadstuin, de tranen die opwelden in haar donkere reeënogen, mijn armen om haar heen.

Of dat gesprek, begin juli. Ze belde me op, vroeg of we konden praten. Over hoe ze was weggelopen van een feestje en op haar kot een stoel had gebroken, uit razernij, uit wanhoop. Ze besefte wat ze gedaan hadden, die vrienden van haar, toen hij plots, onaangekondigd, opdook. Diep vanbinnen besefte ze het. Maar ze aanvaardde het niet, aanvaardde niet dat ik, met de rust en het overzicht die afstand je biedt, haar wees op wat ze diep vanbinnen moét geweten hebben.

Toen we het gesprek afsloten, was niets opgelost. Als zij gelukkig was, was ik ook gelukkig, had ik haar enkele dagen tevoren nog gezegd. Ik at nauwelijks, sliep nauwelijks. Niet dat het ook maar enige zin had.

Die opeengeperste lippen, haar verlaten blik, terwijl ze die kerel volgde. Ik wilde haar helpen, zaterdagavond. Ik kon niet.