Soms lazen we in bed, half tegen elkaar aan, op onze rug, op onze buik, in stilte, tot een van ons in slaap viel. Meestal was ik dat.
Maar ik koesterde de momenten dat ik uit mijn boek opkeek en merkte dat zíj was ingedommeld. Ik legde mijn boek weg, nam het hare voorzichtig vantussen haar vingers of, als het tussen haar vingers door was gegleden, van de plek waar het was beland, en legde het bovenop het mijne.
Toen knipte ik het licht uit en keek naar haar, in het halfduister van de kamer, dat eigen is aan een stad vol neonlicht, eigen aan een stad die nooit volledig slaapt. Ik keek naar haar, haar ooit gebroken neus, de blauwe aders onder de doorschijnende, breekbare huid van haar slapen. Ik wilde mijn vingers op haar slaap leggen, net onder haar blonde haar, en de stroom van leven eronder voelen. Maar ik deed het niet. In plaats daarvan keek ik, naar de zachte deining van haar borst, de warme adem die tussen haar lippen gleed. Ik wilde haar wakker maken, met haar vrijen, in haar gedachten en in haar armen zijn en me, gebroken en verward door haar glimlach, aan haar overgeven. Maar ik deed het niet. Ik keek naar haar.
vrijdag 23 mei 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
3 opmerkingen:
o o o, lang geleden dat ik hier nog eens voorbijkwam. Hoop dat alles goed met je gaat, Jeroen!
Ja, zenne. Tuurlijk wel. :-D
En met jou? Nog heel wat schrijfsels gepubliceerd?
dat mag wel meevallen, ja! Binnenkort mag je je geld bovenhalen voor 'n bundel van mij ;)
en daar? how's the writing?
Een reactie posten