Het is koel op de daken van de stad.
Vegen spreiden zich uit over de donkere lucht,
de maan zwijgend erin verzonken.
Vogels fluiten hun laatste, verkilde lied,
terwijl beneden de stad rilt
onder donsdekens,
in naakte eenzaamheid
naast zich
warmte en ruisend bloed zoekt.
Leven buigt zich naar elkaar toe,
heet en kloppend,
baant zich een weg naar nieuwe dromen,
leven in de knop.
Een man zit in een raam,
in het bleke licht
gebogen, als riet.
Uitkijkend over de daken van de stad,
ziet hij de rode glans in bruine haren,
draagt iemands hartslag in zijn lichaam,
proeft wijn op ademende lippen.
Hij sluit de ogen,
droomt zich
een dromenloze slaap.
zaterdag 28 april 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 opmerking:
...en hier schuilt de verteller. Eén die wiegt, één die aantikt en beroert, nu doorzetten: er is een vervolg...
Een reactie posten